Zeventig jaar Zuidplein in historische schijnwerper.....

Terug naar Boeken Index

Kasten en dakbedekking brandstof in Hongerwinter 1944......

De Hongerwinter van 1944 ligt zeventig jaar achter ons en is een dieptepunt in de geschiedenis van Nederland. Een hoogtepunt in de jongste historie van de Rotterdamse wijk Charlois de zestigste verjaardag van het Theater Zuidplein. Op 1 september 1954 gingen onder de naam Groote Schouwburg aan het Zuidplein de deuren open. Later werd de naam van de schepping van architect Sybold van Ravesteyn gemoderniseerd in Theater Zuidplein. Kinderen van het aangrenzende – in 1941 gebouwde - Brabantse Dorp waren met hun toneelvereniging De Vriendenkring betrokken bij de openingsfeestelijkheden met het stuk ‘De Rattenval’. Het was een zogeheten ‘nooddorp’, gebouwd in de toen ongerepte Charloise Polder voor slachtoffers van het Duitse bombardement op dinsdag 14 mei 1940.

Van dit buurtschap is niets meer over, géén steen, geen dorpel, geen kozijn, want in de jaren zestig is het afgebroken. Er is wel al 33 jaar een vereniging, Het Brabantse Dorp. Daar gaan veel herinneringen rond van de ooit ruim tweeduizend gezinnen en hun nazaten. In de geschiedenis van het Zuidplein zit ook zwembad De Plompert geworteld. Op 17 september 2014 is het een halve eeuw geleden dat de gemeenteraad van Rotterdam besloot het openluchtbad met ligweiden te bouwen in het Zuiderpark aan de zuidoostkant van het Brabantse Dorp. Nauwelijks een kwart eeuw later werd het vanwege bezuinigingen gesloopt.

Op de plek van de 525 noodwoningen in de 21 straatjes met hun Brabantse namen kwamen het winkelcentrum Zuidplein, metrostation Zuidplein, het sport- en tentoonstellingscomplex Ahoy’ Rotterdam, het Ikazia ziekenhuis en het metrostation. Dit brok geschiedenis van het bruisende ‘Hart van Zuid’ is onder de titel ‘Brabantse Dorp verdwenen, maar niet vergeten’ vastgelegd in een speciaal magazine van bijna honderd A4-pagina’s en 150 foto’s en verschijnt op 5 september. De blad kost 7,50 euro en is gekoppeld aan een grote tentoonstelling met ongeveer vierhonderd foto’s die vanaf die dag in de Oudheidkamer in de voormalige Charloische Apotheek aan de Wolphaertsbocht 105 te bezichtigen is. In Theater Zuidplein is tegelijk - ook voor drie maanden - een kleinere expositie ingericht.

Het wel en wee van het Brabantse Dorp staat in het magazine centraal. Daarnaast is er brede aandacht voor de historie van het Ikazia ziekenhuis, de komst van Ahoy, metrostation Zuidplein en natuurlijk het winkelcentrum zelf.

Rotterdam kreeg zes nooddorpen: het Gelderse-, Utrechtse- en Drentse Dorp langs het Noorderkanaal. In Overschie kreeg laag-Zestienhoven tweehonderd noodwoningen – die nog steeds bewoond zijn - en op Zuid werden Smeetsland met 510 en het Brabantse Dorp met 525 gelijk ogende woningen gebouwd. Deze zijn allen verdwenen. Op 10 mei 1981 werd na een grote reünie voor ex-bewoners vereniging Het Brabants Dorp opgericht. Deze fuseerde met speeltuin De Vrijheid in Vreewijk en realiseerde in 1988 een nieuw clubgebouw aan de Mare. De vereniging floreert nog steeds.

Niet zo florissant ging het toe in de Hongerwinter van 1944. Kasten en dakbedekking van de noodwoningen in het Brabantse Dorp verdwenen in allesbranders. In de eerste oorlogsjaren werd niet zoveel gemerkt van oorlogshandelingen, want nooddorp Zuidplein was tot verboden gebied verklaard voor Duitse militairen. Straatventers hadden na het vernietigende bombardement op de binnenstad in het Brabantse Dorp hun klantjes al spoedig teruggevonden. Ouderen praatten op straat alweer over terugkeer naar hun oude stekje. Maar de oorlog was nog lang niet afgelopen, werd zelfs nóg harder en grimmiger. Voedsel en brandstof raakten op. In omliggende gemeenten en in de Hoeksche Waard werd ruilhandel bedreven. Omdat de bewoners van het Brabantse Dorp vrijwel alles waren kwijtgeraakt, hadden ze niets te ruilen. Ze waren aangewezen op hulp van goede boeren, die er gelukkig ook waren. Tot ook dit afgelopen was en er voor geld noch goede woorden geen kruimel voedsel meer te bemachtigen was. Koude en honger maakten wonen in de betonnen noodhuisjes schier onhoudbaar, vaak ook omdat door betalingsachterstand de levering van gas en elektra gestaakt was.

De Duitse bezetters zorgden op een gegeven moment echter zelf voor brandstof. In de landerijen rondom het Brabantse Dorp waren lange en gepunte houten palen geplaats om het landen van geallieerde parachutisten en/of zweefvliegtuigen te beletten. Al spoedig waren die een prooi voor de dorpsbewoners, die ze ’s nachts in stukken zaagden en meesleepten naar huis. Hun allesbrander gaf weer even warmte. De Duitsers beschouwden dit als een sabotagedaad en dreigde daders ter plekke dood te schieten. Maar de vreselijke kou, honger en drang tot overleven waren erger dan de doodsdreiging.

De volgende nacht waren weer palen gestolen en ’s morgens reed een Duits commando wild schreeuwend in hun overvalwagen door het Brabantse Dorp en vorderde op straat mannen om met inzet van hun leven de palen te bewaken. De soldaten dreigden ook het dorp op te blazen. De situatie werd, zoals elders in Rotterdam, slechter en slechter. In november 1944 werden alle mannen tussen de 17 en 40 jaar weggevoerd om in Duitsland slavenarbeid te verrichten. Kinderen waren in één klap hun jeugd kwijt en moesten noodgedwongen de taak van hun vader overnemen om eten en brandstof bijeen te scharrelen. Urenlange hongertochten maakten zij tot diep in de Hoeksche Waard. Doorgaans onvoldoende gekleed en klossend op houten slippers of kapotte touwschoenen in een van de koudste winters van de vorige eeuw. Veel gezinnen – al dan niet door een familieband verbonden – gingen bij elkaar inwonen om het beetje voedsel en/of brandstof dat er nog te versieren was, te verdelen.

De huisjes die leegkwamen werden gelijk van alles wat maar enigszins wilde branden ontdaan. Zelfs de lappen asfalt, die het dak bedekten, bleken goed bruikbaar in de levensgevaarlijke noodkacheltjes, vaak gemaakt van een oude zinken emmer. Ook in de bewoonde huizen was op het laatst geen splinter hout meer te bekennen. Kastdeuren en –planken waren in rook opgegaan. Ook de houten krib, die tot de standaarduitrusting van de woning hoorde, had al dienst gedaan voor het koken van een maaltje bloembollen of suikerbietenpap.

Eindelijk was daar op 5 mei 1945 dan de langverwachte bevrijding. De mannen kwamen terug uit gevangenschap en sloegen overal de hand aan de ploeg. Mannen, die vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog door een schier uitzichtloze crisis werkloos waren, konden weer aan de slag. Weliswaar niet in de gemakkelijkste baantjes, maar die gaven wel weer brood op de plank. Classificeerder, bouwvakker en havenarbeider (toen nog ‘bootwerker’ geheten) waren de meest voorkomende baantje in het Brabantse Dorp. Vooral classificeren was een smerig en gevaarlijk beroep, maar door de vele uren die gemaakt konden worden (werkdagen van 24 uur waren geen uitzondering) was dat het meest lonend. (voorgaande tekst is een klein fragment uit ‘Brabantse Dorp verdwenen, maar niet vergeten)

Rein Wolters

Rotterdam toen en nu