Kerstverhalen.......

Kerstverhalen Index

Vrede begint bij jezelf.....
"Hier HB. Is er een auto in de buurt van De Wittenstraat?
Over." Eerste agent Martin de Jong die op de passagiersplaats naast zijn collega Danny Oudewater zit, drukt de knop van zijn portofoon in.
"HB, hier de 1603. Wij kunnen er in vijf minuten zijn. Wat is er aan de hand? Over."
Danny geeft al gas en scheurt met de politiewagen door de stille straten. Het is kerstavond en vrij rustig. Ze rijden al een uur rond zonder een melding van het Hoofdbureau. Het is wel lekker als er iets te doen is. Als het maar geen huiselijk geweld is. De stad ziet er vanavond juist zo vredig uit. Zelfs de eerste sneeuwvlokken zijn vandaag gevallen en de straten, bomen en lantaarnpalen zijn gedeeltelijk wit. De temperatuur is de afgelopen uren snel gedaald en daarom blijft de sneeuw liggen en plakken aan de paar auto's, fietsers en wandelaars.
''1603, kunnen jullie naar nummer vier gaan? Vrouw geeft vermissing van man aan. Normaal gaan we hier niet op in, maar het is ook voor haar kerstavond. Over en uit." Martin drukt op de bel. Zelfs buiten horen ze het namaakgeluid van de Big Ben dat door de gang schalt.
Even later opent een vrouw met rode, betraande ogen de deur.
"Mogen we even binnenkomen?" vraagt Martin. Hij geeft haar geen kans om te antwoorden. Zijn gevoel zegt dat deze vrouw haar verhaal even kwijt moet en luisteren is ook een belangrijke taak van de politie. Gelukkig denkt zijn collega er net zo over. Ze zijn meer dan collega's en vormen een bijzonder team binnen de eenheid van bureau Dijkstraat. Snikkend vertelt Jannie de Winter haar verhaal. Tussen de zinnen door neemt ze steeds een slokje van het water dat Danny voor haar heeft gehaald. De aanwezigheid van de twee agenten stelt haar wat op haar gemak en geeft haar het gevoel er niet alleen voor te staan.
"Hans heeft weer teveel gedronken en is kwaad weggelopen. Elk jaar op kerstavond krijgt hij het te kwaad.
Twaalf jaar geleden is onze dochter Cherie verongelukt. Ze was zijn oogappel. Haar dood heeft hij nooit verwerkt of geaccepteerd. Ze was op weg naar huis van een kerstfeest bij een van haar vriendinnen. Ze zou morgen zevenentwintig zijn geworden. Ze was een kerstkindje..." Haar snikken laat de beide mannen niet onberoerd. Martin legt zijn hand op haar schouder. Dat gebaar doet Jannie goed. "Heeft u enig idee waar uw man naar toe is gegaan?", vraagt hij bezorgd. Uit ervaring weet hij dat verdriet mensen tot wanhoop kan brengen en hij bidt stil tot God om bescherming voor Hans. Gebed geeft hem altijd kracht en raad in moeilijke en benarde momenten, ook tijdens zijn werk.
"Nee", antwoordt Jannie. "Meestal komt hij na een uurtje terug. Nu is hij al vier uur weg. Vlak na het eten leek er iets bij hem te knappen. Vloekend pakte hij zijn jas en gooide met een knal de deur achter zich dicht. Zijn mobiel~e neemt hij ook niet op. Ik ben zo bang dat hij..." Danny stelt haar gerust. "Ik zal even aan de meldkamer vragen of er een bericht over uw man is binnengekomen." Hij loopt naar buiten. Als er een schokkend bericht is, moet ze het niet via zijn portofoon vernemen. De altijd opbeurende en gezellige stem van Sylvia meldt dat er een meneer Hans de Winter bij de eerste hulp van het Algemeen Medisch Centrum is afgeleverd. De r60r had hem gevonden. Gevallen en daardoor een zwaar gekneusde enkel en schaafwonden opgelopen.
Agent Oudewater loopt de huiskamer weer binnen en vertelt mevrouw De Winter wat het Hoofdbureau heeft gemeld. "0, arme Hans. Er is toch niets ernstigs aan de hand?" roept ze overstuur, terwijl ze naar de gang loopt en haar jas uit de kast pakt. "Ik moet naar hem toe. Nu, meteen. Hij heeft me nodig." Danny en Martin kijken elkaar aan en zeggen bijna tegelijk: "Zullen we u even naar het ziekenhuis brengen.
Het is toch stil en des te eerder bent u bij uw man." "Nou, als jullie dat zouden willen doen. Dat zou wel heel fijn zijn..." Door haar tranen heen zien de agenten voor het eerst een lach verschijnen.
Als Jannie achterin de auto stapt, komen de beelden van twaalf jaar geleden als een schok terug. Ook toen zat ze samen met Hans in een politieauto, die hen naar het mortuarium bracht, waar ze hun dochter moesten identificeren. Zelf dacht ze altijd met dankbaarheid aan Cherie terug. Natuurlijk was er het verdriet, maar ze had God gevraagd haar de kracht te geven om het te dragen. Hans had zich juist van God afgewend en gaf Hem de schuld van het verlies, terwijl het een dronken bestuurder was die hun dochter had aangereden. Vergeten zou ze het nooit. Het was haar gelukt om wel te vergeven, vooral omdat de bestuurder contact met hen had gezocht en berouw had getoond. "Ik zal ook aan God vragen om je te vergeven", had ze bij de derde ontmoeting gezegd.
"Mevrouw De Winter, we zijn bij het ziekenhuis." De woorden van Martin de Jong brengen haar terug in het heden. "Zal ik even met u meelopen?" Aan de gespierde arm van de agent loopt ze angstig naar binnen. Ze weet niet hoe ze Hans zal aantreffen.
Ze hoopt dat hij wat rustiger is en dat hij mee naar huis kan en wil.
In één van de wachtkamers achter een gesloten gordijn zit haar man, maar hij is niet alleen. Naast hem zit een vrouw in het uniform van het Leger des Heils. Ze stelt zich voor. "Ik ben Yvonne van der Molen." Er is een blik van herkenning bij beide vrouwen.
"Ben jij niet Jannie Brouwer?" Jannie heeft echter geen oog voor de heilssoldate. Ze vliegt haar man om zijn nek en geeft hem een dikke kus.
"Gaat het?" vraagt ze hem.
"Ja, schat", zegt Hans zacht terwijl hij door het haar strijkt dat nog vochtig is van de sneeuwvlokken. "Het gaat wel weer. Wat last van mijn enkel, maar dat gaat wel weer over." Dan kijkt ze naar de vrouw in het uniform, die ze herkent als haar vroegere schoolvriendin. Samen hebben ze op de HAVO gezeten. "Yvonne de Wit? Goh, wat leuk jou weer te zien!
Heb jij Hans op straat gevonden?" "Nee. Op kerstavond geeft het Leger des Heils hier in deze stad altijd presentjes aan de mensen die in de kerstnacht moeten werken. Dit ziekenhuis stond vanavond op mijn lijstje. Toen ik bij de eerste hulp kwam, zag ik Hans zitten. Ik heb gezellig met hem zitten praten." Hans kijkt van Jannie naar Yvonne en terug. De boosheid en het verdriet die eerder die avond zo duidelijk in zijn ogen te zien was, heeft plaats gemaakt voor een heel andere blik. In plaats van dofheid twinkelen er nu lichtjes in zijn ogen. "Ik heb niet alleen gezellig met Yvonne gepraat.
Ik heb haar verteld over wat er met Cherie is gebeurd. Yvonne zei precies wat jij altijd zegt en het spijt me dat ik zo hard en zo bitter heb gereageerd.
Niet alleen naar jou, maar ook naar God. Ik moet vergeven en hoe vreselijk het ook is, mijn leven er niet door laten beheersen. Want ik heb daardoor jou en David veel verdriet gedaan. Alsof jullie niet belangrijk zouden zijn. Wat Yvonne zei schudde me gelukkig wakker: 'Vrede begint bij jezelf'. Samen hebben we toen het kerstevangelie gelezen."
De heilssoldate kijkt naar Jannie. Ze verwacht een reactie, maar die blijft uit. Er lijkt iets in de vrouw geknakt.
Ze heeft haar man gevonden, maar de blijdschap daarover is niet meer te ontdekken. Jannie's ogen zoeken die van Hans. "Daar hebben we het in het verleden vaak over gehad. Over vrede", mompelt Jannie bijna onhoorbaar voor de vier mensen om haar heen. Ze merkt nu pas dat de twee agenten er ook nog zijn.
"Neem me niet kwalijk, heren. Ik ben jullie helemaal vergeten. Nog bedankt dat jullie me naar het ziekenhuis hebben gebracht. Mijn man heb ik in ieder geval terug. Nu nog..." Het lijkt of Jannie schrikt van wat ze wil gaan zeggen. Ze maal<t haar zin niet af en schudt gehaast de handen van de agenten. Alsof ze zo de aandacht van haar woorden kan afleiden. Zo van: als ze het maar niet gehoord hebben.
Danny en Martin voelen intuïtief dat er meer aan de hand is. Voordat ze kunnen reageren, verstoort de portofoon hun gedachten. “1603. Hier HB. Over." Het is duidelijk voor de agenten: er is werk aan de winkel en de familie De Winter is in goede handen bij de heilssoldate. Ze kunnen met een gerust hart de oproep van de meldkamer beantwoorden en hun ronde door de stad vervolgen.
Yvonne van der Molen ziet dat Jannie en Hans elkaar weer aankijken. "Jij hebt..." zeggen ze tegelijkertijd en er klinkt een verwijt in de woorden.
De warmte die zo even nog voelbaar was in de wachtkamer, wordt plotseling weggezogen, alsof iemand de voordeur naar de koude winternacht openzet. Ook de heilssoldate voelt dat en ze vraagt: "Je zegt net dat jullie het vaak over vrede hebben gehad.
Wat bedoelde je met: Nu nog... toen je zei dat je Hans hebt teruggevonden?"
"Nee, niets, laat maar", reageert Jannie kortaf. Bewust ontwijkt ze de blik van Hans. "Jannie", zegt hij en staat op en legt zijn arm om haar heen. "Misschien is dit het moment waarop we echt op zoek moeten gaan naar vrede. Zal ik Yvonne de rest vertellen?" Jannie knikt en voelt een last van zich afVallen als ze ermee instemt. "Ja, doe maar." "Ik weet niet goed hoe ik beginnen moet", begint Hans, "maar we zijn niet alleen Cherie verloren, maar eigenlijk ook onze zoon David. Daar zijn we allebei schuldig aan. Dat gebeurde drie jaar geleden, ook op kerstavond. Hij had weer een nieuwe vriendin, nadat zijn vorige relatie was stukgelopen. We waren gek op Rianne, omdat ze ons vaak aan Cherie deed denken. Ze leek ook wel wat op haar. Aan die nieuwe vriendin konden we niet wennen en dat heb ik hem toen op die kerstavond gezegd. Ook toen had ik teveel gedronken." "En ik had moeten ingrijpen", vult Jannie aan.
"Vooral toen David zei dat we sinds de dood van Cherie nooit aandacht voor hem hadden en dat als wij zijn nieuwe vriendin niet wilden accepteren, hij ook niets met ons te maken wilde hebben. David en Chantal zijn toen weggegaan en we hebben nooit meer iets van hen gehoord. En wij hebben ook niet echt moeite gedaan om weer contact te krijgen. We moeten ons schamen!" Met haar beide handen trommelt ze op de borst van Hans, alsof ze zo de onvrede die er al die jaren in hun harten woont, wil verjagen. Ze toont haar onmacht, haar verdriet en spijt.
"God, vergeef me!" klinkt de noodkreet van Jannie door de stille ziekenhuisgang.
"Stil maar", fluistert Yvonne.
"Gelukkig mogen we bij God altijd om vergeving vragen."
De Winter? Opeens herinnert de heilssoldate zich het jonge stel waarmee ze eerder op de avond heeft gesproken. Op het naambordje aan het voeteneind van het bed stond: mevrouw C. de Winter. Zou dat..?
"Ik begrijp dat jullie wel weer contact met jullie zoon en zijn vriendin willen hebben. Gaat het een beetje?
Kan ik jullie even alleen laten?" Op de vraag van Yvonne knikken Hans en Jannie allebei ja. Ze begrijpen niet waarom ze hen zo plotseling in de steek laat.
Zo'n twintig minuten later komt Yvonne terug. "Ik heb geweldig nieuws!" lacht ze.
Nog steeds weten Hans en Jannie niet waarover ze het heeft.
Nieuwsgierig kijken ze haar aan. De heilssoldate straalt als een engel die de blijde boodschap aan de herders bracht. "Hans, kun je staan op je enkel? Willen jullie even met me meelopen?"

Hans steunt op Jannie om zijn gekneusde enkel die flink ingetapet zit, te ontzien. In het midden van de gang staat een sfeervol verlichte kerstboom die tot aan het plafond reikt. De grote lichten zijn gedoofd.
Hier en daar schuifelt een verpleegkundige door de gangen. De vrede van de kerstnacht heeft ook bezit genomen van het ziekenhuis. Er heerst een serene rust, die helemaal niet doet denken aan blatende schapen, schreeuwende herders en zingende engelen. De liftdeuren schuiven geruisloos open en Yvonne drukt op de knop van de zesde verdieping.
Ernaast staat 'Kraamafdeling'.
De lift zoeft omhoog en tilt zijn drie passagiers boven de daken van de omliggende woonwijk uit.

Hoe hoger ze komen, hoe meer het uitzicht op een kerstkaart begint te lijken.
De sneeuwvlokken dwarrelen nog steeds neer en de wereld ziet er smetteloos wit uit. Achter de ramen knipperen witte en gekleurde lampjes in ontelbare kerstbomen. In de winkelstraten is de feestverlichting goed te zien. De maan verlicht de donkere verscholen hoeken en verdrijft het duister. In gedachten schrijft Yvonne op deze kerstkaart: 'Ere zij God in de hoge en vrede op aarde.' Met een lichte schok ontwaken ze alledrie uit hun overpeinzingen.
"Kom maar", stelt Yvonne Hans en Jannie gerust. "Hier moeten we zijn." Ze duwt de deur open. Drie van de vier bedden zijn leeg. In het bed bij het raam ligt een jonge vrouw.

Naast haar ontwaren ze een man, die ze herkennen als hun zoon David!
De heilssoldate blijft bij de deur staan. Ook al lopen de ouders niet direct op hun zoon af, toch ziet ze als het ware de afstand kleiner worden.
Zonder een woord te zeggen, lopen Hans en Jannie in de richting van het bed. David doet twee stappen naar voren en spreidt zijn armen. "Lief dat jullie er zijn. Ik heb jullie gemist.
Ook op de dag toen ik met Chantal trouwde. Ik was te trots om naar jullie toe te komen. Kunnen jullie me vergeven?" "Kun je ons vergeven?" vraagt Hans.
"Natuurlijk", luidt het bevrijdende antwoord van hun zoon. "Natuurlijk.
Laten we naar de toekomst kijken.
Chantal en ik hebben het vaak over jullie gehad. Toevallig dat jullie vanavond ook in het ziekenhuis zijn en dat die heilssoldate de link legde tussen onze namen." David doet een stap opzij, waardoor Hans en Jannie hun schoondochter kunnen zien. Dan valt hun oog op het kleine hoopje mens, dat gewikkeld in een witte doek bijna niet opvalt op de witte deken. Een rose neusje en kleine rose handjes die open en dicht gaan proberen op ontdekkingsreis te gaan in een nieuwe wereld.
"Dit is jullie kleindochter en natuurlijk jullie schoondochter", zegt David trots. De kersverse moeder houdt haar dochtertje omhoog, om zo aan te geven dat Jannie het mag vasthouden. Voorzichtig neemt oma haar kleindochter in haar armen en drukt haar lippen op het voorhoofd van het meisje. "Ik zal de beste en liefste oma van de hele wereld voor je zijn", fluistert ze zo zacht dat alleen de baby het kan horen. Ze neemt zich voor dat ze die belofte koste wat kost waar zal maken.
Hans knuffelt zijn schoondochter, die lachend "Dag opa" tegen hem zegt. David staat te genieten op de achtergrond. "Hoe vind je haar, mam, pap?" vraagt hij glunderend.
"Ze is een prachtig geschenk van God. Zij heeft ons tenslotte weer bij elkaar gebracht. Ik ben zo gelukkig!" lacht Jannie, terwijl er tegelijkertijd een traan over haar wang rolt. Met veel liefde veegt Hans die droog.
"Hebben jullie al een naam voor haar?" vraagt hij voorzichtig. Hij weet dat sommige mensen het niet bekend willen maken tot ze aangifte bij de burgerlijke stand hebben gedaan. "Ja", zegt Chantal. "Als het een meisje zou worden, hebben we altijd maar één naam in gedachten gehad. We noemen haar Cherie!"
Heilssoldate Yvonne van der Molen kijkt vanuit de deuropening naar dit ontroerende kersttafereel. Het heeft wel iets weg van een moderne kerststal, alleen met andere hoofdrolspelers. Ongemerkt legt ze een visitekaar~e met haar naam op het nachtkastje, zodat Jannie altijd contact met haar op kan nemen. Ze sluit de deur van de ziekenhuiszaal achter zich en terwijl ze door de gang naar de lift loopt, neuriet ze zacht: "Gloria in Excelsis Deo." Eer aan God in de hoogste hemelen. Het is haar lievelingskerstlied omdat het ook door de engelen gezongen werd.
Rotterdam toen en nu