Kerstverhalen.........

Kerstverhalen Index

Ontmoeting met Kerstmis......
Ik heb Kerstmis nog nooit eerder alleen doorgebracht.

Het geeft me een raar gevoel om alleen in mijn gemeubileerde kamer te zitten, met mijn hoofd vol spoken en de kamer vol met stemmen uit het verleden. Het is een overrompelend gevoel - al die kerstfeesten uit het verleden komen terug in een razende tredmolen: het kerstfeest uit mijn jeugd, met een huis vol familie, een boom voor het raam, muntstukjes in de pudding, en die heerlijke gekronkelde kous in de donkere ochtend; het kerstfeest uit mijn meisjesjaren, met moeder en vader , de oorlog en de bittere koude, en de brieven uit het buitenland; het eerste echte volwassen kerstfeest, met een minnaar - de sneeuwen de verrukking, rode wijn en kussen, en de wandeling in het donker voor middernacht, met de witte grond en de sterren fonkelend als diamanten in een zwarte hemel - zo vele kerstfeesten door de jaren heen. En nu, voor het eerst met Kerstmis alleen. Maar niet helemaal eenzaam. Een gevoel van verwantschap. met al die andere mensen die Kerstmis alleen doorbrengen - er zijn er miljoenen - toen en nu. Een gevoel dat, als ik mijn ogen sluit, er geen verleden of toekomst is, alleen een oneindig nu, wat tijd ook werkelijk is, omdat het alles is dat we hebben.

Ja, hoe cynisch je ook bent, hoe ongelovig ook, het is een vreemd gevoel om tijdens de kerstdagen alleen te zijn.

Daarom ben ik belachelijk opgelucht wanneer de jongeman binnenkomt. Er is niets romantisch aan hem - ik ben een vrouw van tegen de vijftig, een ongetrouwde schooljufrouw met streng opgemaakt donker haar, en bijziende ogen die ooit heel mooi waren, en hij is een jongen van twintig, losjes gekleed met een fladderige, wijnkleurige das en in een zwart fluwelen jasje, met bruine krullen die een kappersschaar best zouden kunnen gebruiken. De verwijfdheid van zijn kleding wordt gelogenstraft door zijn gelaatstrekken - kleine, doordringende blauwe ogen, arrogant, prominente neus en kin. Niet dat hij er sterk uitziet. De tere huid is strak om zijn voorname gezicht gespannen en hij ziet heel bleek.

Hij stormt naar binnen zonder te kloppen en zegt dan na een korte pauze: 'Neem me niet kwalijk, ik dacht dat dit mijn kamer was.' Hij maakt aanstalten om weer weg te gaan, aarzelt dan en zegt: 'Bent u alleen?'

'Ja.'

'Wat is het... vreemd om met Kerstmis alleen te zijn, vindt u niet? Mag ik even met u blijven praten?'

'Dat zou ik prettig vinden.'

Hij komt direct weer binnen en gaat bij het vuur zitten.

'Ik hoop niet dat u denkt dat ik met opzet ben binnengekomen. Ik dacht echt dat dit mijn kamer was,' legt hij uit.

'Ik ben blij dat u zich hebt vergist. Maar u bent wel erg jong om met de kerstdagen alleen te zijn.' 'Ik had geen zin om naar mijn familie te gaan. Het zou me van mijn werk houden. Ik ben schrijver.'
'Ik begrijp het.' Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Dat verklaart zijn nogal ongewone kleding. En wat neemt hij zichzelf serieus, deze jongeman.

'Natuurlijk, u mag geen enkel kostbaar schrijfmoment verloren laten gaan,' zeg ik met een twinkeling in mijn ogen.

'Nee, geen enkelogenblik! Dat wil mijn familie maar niet inzien. Die hebben geen begrip voor dringende zaken.'

'Familieleden hebben nooit begrip voor de aard van de kunstenaar.'

'Nee, inderdaad niet,' stemt hij ernstig in.

'Wat bent u aan het schrijven?'

'Een combinatie van dagboek en poëzie. Het heet Mijn gedichten en ik, door Francis Randel. Zo heet ik. Mijn familie zegt dat schrijven geen zin heeft, dat ik er te jong voor ben. Maar ik voel me niet jong. Soms voel ik me een oude man, die nog zoveel moet doen voor hij sterft.'

'Het rad van de schepping wentelt sneller en sneller.'

'Ja! Ja, precies! U begrijpt het! U moet mijn werk ooit eens lezen. Alstublieft, leest u mijn werk! Lees het!'

Er klonk iets wanhopigs in zijn stem, er lag iets angstigs in zijn ogen en daarom zei ik: 'We zijn allebei veel te ernstig voor deze kerstdag. Ik ga koffie voor ons zetten. Ik heb ook pruimentaart.' Ik scharrel wat rond, rammel met de kopjes, lepel de koffie in de filter. Maar ik moet hem hebben beledigd, want als ik om me heen kijk, zie ik dat hij is weggegaan. Vreemd genoeg ben ik teleurgesteld.

Toch zet ik koffie en kijk ik naar de boekenplank in de kamer. Er liggen hoge stapels boeken op, waarvoor de hospita zich uitvoerig heeft verontschuldigd.
'Hopelijk vindt u die boeken niet erg, juffrouw, maar mijn man wil er geen afstand van doen en ik weet niet waar ik ze anders moet laten. Daarom berekenen we u wat minder voor de kamer.'

'Het geeft niet,' had ik gezegd. 'Boeken zijn goede vrienden.'

Maar dit zijn geen erg vriendelijk uitziende boeken. Ik pak een willekeurig exemplaar. Of wordt mijn hand geleid door een vreemd soort lotsbestemming?

Terwijl ik mijn koffie drink en de rook van mijn sigaret inhaleer, begin ik in het beduimelde boekje te lezen dat, naar ik zie, voorjaar 1851 werd gepubliceerd. Ik lees:

'Mijn eerste kerstdag alleen. Ik heb een nogal rare ervaring gehad. Toen ik na een wandeling naar mijn kamer terugging, zat daar een vrouw van middelbare leeftijd. Eerst dacht ik dat ik de verkeerde kamer was binnengelopen, maar dat was niet zo, en later, na een plezierig gesprek, was ze... verdwenen. Ik denk dat het een geestverschijning is geweest. Maar ik was niet bang. Ik vond haar aardig. Maar ik voel me niet goed vanavond. Helemaal niet goed. Ik heb me nog nooit eerder ziek gevoeld met Kerstmis.'

Deze laatste woorden werden gevolgd door een noot van de uitgever: FRANCIS RANDEL STIERF AAN EEN PLOTSELINGE HARTAANVAL OP DE AVOND VAN KERSTMIS 1851. DE VROUW DIE IN DE LAATSTE WOORDEN VAN ZIJN DAGBOEK WERD GENOEMD, WAS DE LAATSTE DIE HEM IN LEVEN HEEFT GEZIEN. ONDANKS VERZOEKEN AAN HAAR OM ZICH BEKEND TE MAKEN, HEEFT ZE DAT NOOIT GEDAAN. HAAR DOMINANTIE BLIJFT EEN MYSTERIE.
Rotterdam toen en nu