Kerstverhalen........

Kerstverhalen Index

Nachtmis......
Nooit heb ik een zeker gesprek kunnen begrijpen dat ik eens, vele jaren geleden, met een dame heb gevoerd; ik was toen zeventien, zij dertig. Het was kerstnacht. Omdat ik met een buurman had afgesproken naar de nachtmis te gaan, verkoos ik niet te gaan slapen; ik zou hem tegen middernacht wekken.

Het huis waar ik inwonend was, behoorde aan notaris Meneses, die in zijn eerste huwelijk met een van mijn nichtjes getrouwd was geweest. Zijn tweede vrouw, Conceic, en haar moeder, hadden me gastvrij ontvangen toen ik, enkele maanden tevoren, uit Mangaratiba naar Rio de Janeiro was gekomen om mijn toelatingsexamen tot de universiteit voor te bereiden. Ik leefde rustig in dat huis met twee verdiepingen in de Rua do Senado, met mijn boeken, weinig kennissen, sporadische uitstapjes. Het gezin was klein: de notaris zelf, zijn vrouw, zijn schoonmoeder en twee slavinnen. Ouderwetse gewoonten. Om tien uur 's avonds was iedereen op zijn kamer; om half elf sliep het hele huis. Ik was nog nooit naar het theater geweest en meer dan eens, wanneer ik Meneses hoorde zeggen dat hij naar het theater ging, vroeg ik hem mij mee te nemen. Bij die gelegenheden trok zijn schoonmoeder een lelijk gezicht, en de slavinnen grinnikten achter de rug van hun hand; hij gaf geen antwoord, kleedde zich aan, ging weg en kwam pas de volgende ochtend terug.

Later vernam ik dat het theater een eufemisme in actie was. Meneses had een affaire met een gescheiden vrouwen sliep één keer in de week buitenshuis. ConceiQao had aanvankelijk geleden onder de situatie; later had ze erin berust, en door gewenning was ze het ten slot te normaal gaan vinden.

Goede ConceiQao! Men noemde haar 'een heilige', en die naam verdiende ze, zo makkelijk verdroeg ze de verwaarlozing door haar man. Ze was inderdaad een gematigd temperament, zonder uitersten, geen grote huilbuien, geen grote lachbuien. Wat het onderwerp in kwestie betreft, neigde ze zelfs naar het mohammedaanse: ze zou een harem aanvaard hebben zolang de schijn maar gehandhaafd bleef. God vergeve me wanneer ik haar verkeerd beoordeel. Alles aan haar was ingetogen en passief. Ook haar gezicht was een gemiddelde, niet mooi en niet lelijk. Ze was wat men noemt een aardige vrouw. Ze sprak van niemand kwaad en vergaf alles. Haten kon ze niet; misschien kon ze ook niet liefhebben.

Op die kerstavond ging de notaris naar het theater. Het was omstreeks 1861 of 1862. Ik had voor de feestdagen terug moeten zijn in Mangaratiba, maar ik was gebleven 'om de nachtmis in de grote stad mee te maken '. Het gezin trok zich op de gebruikelijke tijd terug; ik ging in de voorkamer zitten, gekleed en wel. Vandaar zou ik via de vestibule kunnen weggaan zonder iemand in zijn slaap te storen. Er waren drie huissleutels: de notaris had er een, ik had er een, de derde bleef in huis. 'Maar, senhor Nogueira, wat denkt u dan al die tijd te doen?' vroeg ConceiQao's moeder. 'Lezen, dona Inácia.'
Ik had een roman bij me, De drie musketiers, ik meen in een oude vertaling, verschenen in het Jornal do Comércio. Ik ging aan de tafel midden in de kamer zitten, en bij het licht van een petroleumlamp, in het slapende huis, besteeg ik voor de zoveelste keer het magere ros van D'Artagnan en ging op avontuur. Weinige ogenblikken later was ik volledig dronken van Dumas. De minuten vlogen om, wat ze gewoonlijk niet doen wanneer men wacht; ik hoorde het elf uur slaan, maar als een bijkomstigheid, zonder dat het tot me doordrong. Een licht gerucht echter, uit het inwendige van het huis, haalde me uit mijn lectuur. Het waren voetstappen in de gang tussen de salon en de eetkamer; ik hief mijn hoofd op, en zag ConceiQao in de deuropening verschijnen.

'Bent u daar nog?' vroeg ze.

Ja; het is toch nog geen middernacht?'

'Hoe houdt u het uit!'

ConceiQao kwam de kamer binnen, sloffend met haar slaapkamerpantoffels. Ze droeg een witte peignoir, losjes om de taille gebonden. Haar verschijning, slank als ze was, had iets romantisch, geheel in overeenstemming met mijn avonturenroman. Ik sloot het boek; zij ging in de stoel tegenover mij zitten, dicht bij de canapé. Op mijn vraag of ik haar onbedoeld wakker had gemaakt, door een of ander geluid, antwoordde ze snel: 'Nee! Helemaal niet! Ik werd vanzelf wakker.'

Ik keek haar even goed aan, en twijfelde aan haar antwoord. Ze had niet de ogen van iemand die zojuist geslapen heeft; eer leek ze nog helemaal niet te hebben geslapen. Deze waarneming echter, die iets zou kunnen betekenen wanneer ze door een ander was gedaan, zette ik snel uit mijn hoofd, zonder me te realiseren dat ze misschien juist om mij niet had geslapen, en dat ze misschien loog om mij niet in de war te brengen of te verdrieten.
Ik zei al dat ze een aardige vrouw was, erg aardig.

'Maar het zal nu niet lang meer duren,' zei ik.

'Hoe houdt u het uit, zo lang wakker te blijven, terwijl uw buurman maar slaapt! En dan nog in uw eentje? Bent u niet bang voor geesten uit de andere wereld? Ik dacht dat u schrok toen u me zag.'

'Toen ik voetstappen hoorde, was ik even verbaasd; maar meteen daarna zag ik dat u het was.' 'Wat zat u te lezen? Niet zeggen, ik weet het al, het is die roman van de Musketiers.'

'Precies. Een mooi boek.'

'Houdt u van romans?'

'Ja.'

'Heeft u A Moreninha al gelezen?'

'Van Macedo? Dat heb ik thuis in Mangaratiba.'

'Ik hou veel van romans, maar ik lees weinig, ik heb niet veel tijd. Welke romans hebt u de laatste tijd gelezen?'

Ik begon een paar titels te noemen. Conceicao luisterde naar me met haar hoofd op de stoelrug geleund, terwijl ze me tussen half geloken oogleden ononderbroken aankeek. Af en toe bevochtigde ze de lippen met haar tong. Toen ik uitgepraat was, zei ze niets; zo bleven we enkele seconden zitten. Vervolgens richtte ze haar hoofd op, vouwde haar handen en liet haar kin daarop rusten, terwijl haar ellebogen op de stoelleuningen steunden, dit alles zonder haar grote, oplettende ogen van mij af te houden.

Misschien verveelt ze zich, dacht ik. En daarna, hardop: 'Donaconceicao, ik geloof dat het tijd wordt dat ik...'

'Nee, nee, het is nog vroeg. Ik heb net op de klok gekeken, het is half twaalf. U hebt nog tijd. Kunt u, als u een nacht niet slaapt, de volgende dag wakker blijven?'
'Ik heb het wel eens gedaan.'

'Ik niet; als ik een nacht opblijf, ben ik de volgende dag gebroken, en dan móet ik even slapen, als is het maar een half uurtje. Maar ik word ook al een jaartje ouder.'

'Geen sprake van, dona Conceicao!' Het kwam er zo gloedvol uit, dat ze glimlachte. Gewoonlijk waren haar gebaren traag en haar bewegingen rustig; nu echter stond ze snel op, ging naar de andere kant van de kamer en liep wat heen en weer tussen het raam en de deur van de kamer van haar man. Zo, in die zedige onverzorgdheid van haar kleding, maakte ze op mij een wonderlijke indruk. Al was ze slank, ze had een zekere wiegende tred, als iemand die met moeite zijn gewicht draagt; deze eigenaardigheid was me nooit zo opgevallen als die avond. Af en toe stond ze stil om een stuk gordijn te bekijken of iets op het buffet te verplaatsen; ten slotte bleef ze tegenover mij staan, met de tafel tussen ons in. De horizon van haar gedachten was beperkt: ze sprak opnieuw haar verbazing uit over mijn doorwaakte nacht; ik herhaalde wat zij al wist, namelijk dat ik nog nooit een nachtmis in de stad had meegemaakt, en dat ik die nu niet wilde missen. 'Het is hetzelfde als in de provincie; alle missen zijn hetzelfde.'

'Misschien wel, maar hier zal het toch allemaal plechtiger zijn, en er zullen meer mensen zijn. De Goede Week, bijvoorbeeld, is in Rio mooier dan in de provincie. Sint-jan, dat wil ik niet zeggen, of Sint-Antonius...'

Beetje bij beetje had ze zich naar voren gebogen; ze had haar ellebogen op het marmeren tafelblad gesteund en haar gezicht tussen de beide vlakke handpalmen gelegd.
Aangezien haar mouwen niet dichtgeknoopt waren, vielen die vanzelf neer, en zag ik haar onderarmen, die zeer blank waren, en minder dun dan men zou kunnen denken. De aanblik was voor mij niet nieuw, zij het ook niet alledaags, maar op dat moment raakte ik er zeer van onder de indruk. De aderen waren zo blauw dat ik ze, ondanks het zwakke licht, van mijn plaats af kon tellen. De aanwezigheid van Conceicao hield me nog meer wakker dan het boek. Ik ging door met zeggen wat ik vond van feesten in de stad en in de provincie, en andere dingen die me op de lippen kwamen. Ik sprong van het ene onderwerp op het andere, zonder te weten waarom, of kwam weer terug op het eerste, en ik lachte om haar te doen glimlachen en haar glanzend witte, gelijke tanden te zien. Haar ogen waren niet echt zwart, maar donker; de neus, dun en lang, een heel klein beetje gebogen, gaf haar gezicht een onderzoekende uitdrukking. Wanneer ik mijn stem enigszins verhief, waarschuwde ze: 'Sst, zachtjes! Anders wordt mama wakker.'

En ze bleef zitten in die houding, zeer tot mijn genoegen, zo dicht waren onze gezichten bij elkaar . Het was inderdaad niet nodig hard te praten om verstaan te worden; we fluisterden allebei, ik meer dan zij, omdat ik meer praatte. Zij werd af en toe ernstig, heel ernstig, met een lichte frons op haar voorhoofd. Ten slotte werd ze moe; ze veranderde van houding en van plaats. Ze liep om de tafel en ging aan mijn kant zitten, op de canapé. Ik draaide me om, en kon een steelse blik werpen op de punt van haar pantoffels; maar dat duurde slechts zo lang als ze nodig had om te gaan zitten: haar peignoir was lang en bedekte haar onmiddellijk. Ik herinner me dat ze zwart waren.

Conceicao zei zachtjes: 'Mama 's kamer is ver weg, maar ze slaapt erg licht; als ze nu wakker werd, zou ze niet zo gauw weer inslapen.'
'Dat heb ik ook.'

'Wat?' vroeg ze, voorover leunend om beter te kunnen horen.

Ik ging op de stoel naast de canapé zitten en herhaalde wat ik had gezegd. Ze lachte om de toevallige samenloop: ook zij sliep licht; we waren dus drie lichte slapers bij elkaar.

'Soms gaat het me net zo als mama: dan word ik wakker, en ik kan niet meer in slaap komen, ik lig te woelen in bed, ik sta op, steek een kaars aan, loop wat rond, ga weer liggen - en niets.'

'Zoals vanavond.'

'Nee, nee,' sprak ze snel tegen.

Ik begreep haar ontkenning niet; misschien begreep zij die zelf niet. Ze greep de uiteinden van haar ceintuur en sloeg ermee op haar knieën, of liever, op de rechterknie, want ze had juist de benen over elkaar geslagen. Daarna begon ze te praten over dromen en verklaarde dat ze maar één keer in haar leven een nachtmerrie had gehad, als kind. Ze wilde weten of ik nachtmerries had. Zo kwam het gesprek weer op gang, en ging voort, langzaam, lange tijd, zonder dat ik erg had in de tijd en in de mis. Wanneer ik een vertelling of een uitleg had beëindigd, bedacht zij meteen een andere vraag of een ander onderwerp, en ik kon weer verder praten. Af en toe waarschuwde ze: 'Zachtjes, zachtjes...'

Er waren ook stilten. Twee keer meende ik te zien dat ze sliep; maar haar ogen, gedurende een moment gesloten, gingen meteen weer open, zonder slaap of vermoeidheid, als had zij ze gesloten om beter te kunnen zien. Eén van die keren geloof ik dat ze merkte dat ik helemaal in haar verdiept was, en ik herinner me dat zij daarop de ogen weer sloot, snel of langzaam, dat weet ik niet meer.
Sommige dingen van die avond herinner ik mij onvolledig of vaag.
Ik spreek mezelf tegen, raak in de war. Eén duidelijk beeld is dat zij, die alleen maar 'een aardige vrouw' was, op een gegeven moment mooi was, heel mooi. Ze was gaan staan, met de armen gekruist; uit beleefdheid wilde ik ook opstaan, maar ze belette dat door een hand op mijn schouder te leggen, en dwong me te blijven zitten. Ik dacht dat ze iets ging zeggen, maar ze huiverde, alsof ze een koude rilling had, draaide zich om en ging zitten op de stoel waar ik had zitten lezen. Vandaar liet ze haar blik gaan over de spiegel die boven de canapé hing, en begon te praten over twee gravures aan de muur. 'Die prenten worden oud. Ik heb Chiquinho al gevraagd andere te kopen.'

Chiquinho was haar echtgenoot. De prenten verrieden 's mans voornaamste interesse. Eén stelde Cleopatra voor; het onderwerp van de andere herinner ik me niet meer, maar het waren in elk geval vrouwen. Allebei goedkoop; in die tijd vond ik ze niet lelijk.

'Ze zijn mooi,' zei ik.

'Jawel, maar er zitten vlekken op. En dan, eerlijk gezegd, ik zou liever twee heiligenbeelden hebben. Deze hier zijn meer geschikt voor een vrijgezellenkamer of een kapperswinkel. , 'Een kapperswinkel? U bent nog nooit naar een herenkapper geweest.'

'Maar ik kan me voorstellen dat de klanten tijdens het wachten praten over vrouwen en liefdesavonturen, en de eigenaar zal hun oog willen verblijden met mooie plaatjes. Maar in een huiselijke woning vind ik ze ongepast. Zo denk ik er tenminste over, maar ik denk wel meer rare dingen. Hoe het zij, ik hou niet van deze prenten.
Ik heb een Onze Lieve Vrouwe van de Onbevlekte Ontvangenis, mijn beschermheilige, erg mooi; maar dat is een beeldje, dat kun je niet aan de muur hangen, en ik zou het hier ook niet willen hebben. Het staat in mijn bidschrijn.'

Het woord bidschrijn herinnerde me aan de mis; ik realiseerde me dat het al laat kon zijn en wilde dat zeggen. Ik geloof dat ik zelfs mijn mond al opende, maar deze meteen weer sloot om te horen wat zij vertelde, met tederheid, met bevalligheid, met een zo grote loomheid dat mijn ziel erdoor bedwelmd werd en ik kerk en mis vergat. Ze sprak van haar vroomheid als kind en jong meisje. Daarna vertelde ze een en ander over bals en wandelingen, uitstapjes naar Paquetá, alles door elkaar en achter elkaar. Toen ze genoeg had van het verleden, begon ze over het heden, huishoudelijke zaken, de lasten van een gezin, die men haar, voordat ze trouwde, als zeer zwaar had voorgesteld, maar die in feite niets betekenden. Ze zei het niet, maar ik wist dat ze getrouwd was op haar zevenentwintigste.

Ze veranderde nu niet meer van plaats, zoals in het begin, en nauwelijks meer van houding. Ze had ook niet meer van die grote, starende ogen, en liet haar blik op goed geluk over de muren gaan.

'Deze kamer moet opnieuw behangen,' zei ze even later, alsof ze in zichzelf praatte. Ik beaamde dat, om iets te zeggen, om me los te rukken uit die soort van magnetische slaap, of wat het ook was dat mijn tong en mijn zintuigen verlamde. Ik wilde het gesprek tegelijk wel en niet beëindigen; ik spande me in om mijn ogen van haar af te wenden, en deed dat ook, uit gevoelens van respect; maar de gedachte dat dit verveeldheid mijnerzijds zou kunnen lijken, terwijl het dat niet was, dreef mijn blik weer in de richting van Conceicao. Het gesprek liep langzaam ten einde.
Op straat was de stilte compleet.

Gedurende enige tijd - ik kan niet zeggen hoe lang - zwegen we zelfs geheel en al. Het enige, tere gerucht, was het knagen van een muis in de kamer van haar man, dat me wekte uit die soort van verdoving; ik wilde erover praten, maar wist niet hoe. Conceicao leek in gedachten verzonken. Plotseling hoorde ik op het raam kloppen, aan de straatkant, en een stem die riep: 'Nachtmis! Nachtmis!' 'Daar is uw vriend,' zei ze, terwijl ze opstond.

'Grappig: u zou hem wekken, en hij komt u wekken. Ga maar gauw, het zal al laat zijn, tot ziens.'

'Zou het al tijd zijn?'

'Natuurlijk.'

'Nachtmis!' werd buiten weer geroepen, terwijl men op de ramen sloeg.

'Ga nu, ga nu! Laat niet op u wachten. Het was mijn schuld. Tot ziens, tot morgen.'

En met diezelfde wiegende tred, heel zachtjes, verdween Conceicao de gang in. Op straat trof ik de buurman, die op mij wachtte, en samen gingen we naar de kerk. Tijdens de mis verscheen de gedaante van Conceicao verscheidene malen tussen de priester en mij -wat men op rekening van mijn zeventien jaren mag schuiven. De volgende ochtend, bij het ontbijt, sprak ik over de nachtmis en over de mensen in de kerk, zonder Conceicao's belangstelling te wekken. Gedurende die hele dag vond ik haar zoals ze altijd was, natuurlijk, goedaardig, zonder dat ook maar iets herinnerde aan het gesprek van de vorige avond. Voor de jaarwisseling ging ik naar Mangaratiba. Toen ik terugkwam in Rio de Janeiro, in maart, was de notaris gestorven aan een beroerte. Conceicao woonde nu in Engenho Novo, maar ik heb haar niet opgezocht, noch ook toevallig ontmoet. Later hoorde ik dat ze was getrouwd met de gewezen klerk van haar man.
Rotterdam toen en nu