Kerstverhaal.......door Rein Wolters......

Kerstverhalen Index

Het verdriet en de lach van Kerstmis 1955.....

Het verdriet en de lach van Kerstmis 1955.....

Zo af en toe mijmer ik in mijn ‘zorgstoel’ - acht hoog in woongebouw De Zwaan in Pernis - weg naar mijn jonge jaren. Het is niet echt moeilijk om op zulke momenten tegelijk te genieten van het fraaie panorama van de omgeving. Ik dwaalde terug naar 1955, naar vrijdag 24 december, die voor mij om zes uur die ochtend begon na wekken door moe­der. De vier boter­hammen, die ze had neergezet, schrokte ik naar binnen. Op een draf rende ik naar de Steinwegstraat in de Afrikaanderwijk, naar het pakhuis van melkboer Cor Houtbra­ken, die ik al sinds mijn zesde jaar voor, tussen en na school hielp.

Ik stierf bijkans van de kou. Een trui had ik niet, mijn jasje was dun en mijn broek bijna doorgesleten. Mijn schoenzolen waren kapot. Die van mijn linker schoen was doorgesleten, had een gat. Om de straat niet te voelen, had ik van een stukje karton van een margarine­doos een zooltje geknipt. Veel hielp het niet.Van het sjouwen van de ijzeren kratten met flessen naar de elektrokar, werd ik een beetje warm. Maar niet lang, want de bezorgwagen had een open cabine. Rijdend naar de eerste klant, kreeg de kou vat op me. Visioenen van dikke dekens, warme bedden en warme soep flitsten door mijn hoofd. Blauw waren ondertussen mijn handen, van de snijdende vrieskou. Pijn deden ze ook.

Cor gaf me zijn polsmoffen (wollen hand­schoenen zonder vingers). Dat hielp niks. Door het bibbe­ren en rillen glipten twee flessen koffiemelk door mijn vin­gers en kletterden kapot op straat. De melk bevroor gelijk. Cor keek boos. Eindelijk was het half negen en kon ik naar mijn heerlijk verwarmde St.-Francis­cusschool in de Christiaan de Wetstraat.

Een uur verder kon ik mijn ogen niet meer open houden. Ik verloor het van de slaap. Meester Van Lieshout schudde me wakker. Hoofdschuddend zei hij dat ik beter maar kon stoppen bij de melkboer. Ik knikte maar wat. Geluk­kig legde hij me geen strafregels op.

Na de ochtendschool rende ik naar huis voor drie boterhammen, zonder beleg, want daar was in ons grote gezin geen geld voor. In een oogwenk had ik ze verzwolgen. Op een holletje ging ik naar Cor en we reden langs de laatste klanten. Onderweg bewonderde ik in de huizen de kerstbomen, beladen met kleurrijke ballen, engelenhaar en witte kaarsen. Wat waren die mensen rijk!

Het jaar daarvoor hadden we thuis geen kerstboom. Uitver­kocht, hield moeder zich groot. De waarheid was dat ze er geen geld voor had. Terwijl ik de elektrokar terugreed naar het pakhuis, werkte Cor Houtbraken naast me op de koude zitbank met een stompje potlood zijn pofboek bij. Vorig jaar schoof hij me met Kerstmis een extraatje toe. Misschien nu weer. Daar koop ik dan een kerstboom van, als we die thuis nog niet hebben staan. En ook wat mooie ballen. Zal moeder blij mee zijn, nam ik me voor.Half drie wees de torenklok van de St.-Franciscuskerk op de hoek van Paul Krugerstraat en het Afrikaanderplein. Nog even de wagen lossen en zeven melkbussen boenen. Elk kregen ze drie was­beur­ten. Eerst spoelen met koud water. Na uitdruipen uitborstelen met warm lodalinewater en daarna nog een bleekwaterbad. In mijn haast goot ik de helft van een emmer over mijn broek. Eenmaal buiten het pakhuis voelde dat weinig lekker aan. Ik verging weer van de kou, maar ik liet me er niet door van de wijs brengen.

Naar huis wilde ik nog niet, daar was het misschien weer ruzie. Mijn pad voerde naar de prachtig versierde en verlichte Beij­er­landselaan, naar die schitterende etalages vol cadeaus. De speelgoedzaak van Van Reeuwijk op de hoek van Hilledijk en de Slaghekstraat was mijn eerste halte. Het kijken naar de uitstalling van het speel­goed maakte me warm en tegelijk verdrie­tig. Ik mocht er alleen maar naar kijken. Ook naar de kinderen die met hun moeder naar binnen waren gegaan om iets te kopen. Mijn oog was geval­len op een tover­lantaarn van 23 gulden. Onbedoeld mijmerde ik weg naar een later jaar. Zo'n ding moest ik ooit bezitten. Dan kon ik iedereen plaatjes laten zien van plekken op de wereld waar ik was geweest.

Heftig getingel van tramlijn 9 deed me ontwaken. Mijn droomwe­reld was bijna geëindigd onder het rijtuig. Zonder op het verkeer te letten was ik overgestoken naar mijn volgende etalage vol speelgoed, die van Magazijn De Hal op het stukje van de Slaghekstraat tussen de Hilledijk en Beijerland­selaan. De inhoud zoog ik in me op, schitterend allemaal. Hoewel ik het steeds kouder kreeg, besloot ik toch tot een rondje Beij­erlandselaan. Overmorgen was het Kerstmis en morgen zou ik er geen tijd meer voor hebben. Bij Cor Houtbraken zou ik pas 's avonds laat klaar. Misschien wel om tien uur, had hij me gewaarschuwd.

Mijn wandeling ging langs magazijn Rio, met prachtige serviezen in de etalage en natuurlijk langs de fietsenwinkel van WBR van Kees en Willem Buitendijk, de sigarenwinkel annex het hulppostkantoor van Vloemans, de winkel in ijzerwaren van Anton Keller en Johan's Taria van eigenaar Jan de Rath. Van het dubbeltje dat ik van een klant had gehad, trok ik een rol drop uit de gevelbrede automaat van ijssalon Broadway van Theo en Alida Ekelmans. De ouders van Theo openden de winkel in 1947. Theo en Alida hielden het vol tot het eind van het jaar 2000 toen ze al ver boven de pensioengerech­tigde leeftijd waren uitgekomen.

Uiteraard hield ik halt bij de fotovitrines van het filmtheater Colosseum om te kijken naar de foto's van de matineefilm, die ik op Eerste Kerstdag wilde gaan zien. Bij de winkel van H.H. de Klerk & Zn op de hoek met de Slaghekstraat bracht ik een pauze door in de entree, die heerlijk warm was. Na nog een blik te hebben geworpen in de ruime etalage van de Vespa-scooter­zaak van Van Gorp op de hoek met het korte stuk van de Beijer­landselaan, besloot ik naar huis te gaan.

Thuis duurde het nog enige tijd voordat we aan tafel konden voor de zuurkool zonder worst. Om half zeven zocht ik mijn bed op, tot het tijd was om naar melkboer Houtbraken te rennen.

De kerstza­terdag hoefde ik 's ochtends niet naar school. Op andere zaterdagen was dat wel het geval tot twaalf uur. Cor Houtbra­ken vond de gesloten schooldeur een uitkomst. Vanaf zes uur 's morgens tot 's avonds acht waren we in touw. Eindelijk viel de deur van het pakhuis in het slot. Cor gaf me naast de vaste vier papieren guldens als extra een blauw briefje van een rijksdaal­der. Boven­dien mocht ik drie halve literflessen vanillevla, twee halve flessen chocoladevla en een kwart liter verse slagroom mee naar huis nemen.

Ik was de koning te rijk. De ontberingen van de laatste dagen waren op slag vergeten. Wat een goeie man! Achterop zijn fiets bracht hij me naar huis. Moeder toonde zich verrukt over de zuivelproducten. Vader was niet thuis, hoewel het kerstavond was. Het was zater­dag, zijn avond voor de 'toneel­vereniging'. Dat hij niet thuis was, vond ik niet erg. Wel dat in de hoek van de kamer geen kerst­boom stond. Moeder had nog zo beloofd er eentje te kopen. Hoewel het al half negen was geweest, ging ik weer de vrieskou in. In mijn zak had ik 1,75 gulden fooi van klanten.

Op de hoek van Hillevliet en Slaghekstraat was bloemenboer Jaap Verheul (op het plein tegenover café De Ster van ex-voetballer Bas Paauwe, kantoorboekhandel van P.A. van der Knaap, slijterij van A. van der Hof en de rijwielhandel en -stalling van J.J. Vissers) bezig met het opruimen van zijn overgebleven kerstbo­men. Uit het stapel­tje trok ik een fors exemplaar. Neem maar mee voor drie kwart­jes, zei de koopman. Ik jokte dat ik er maar twee had.

Twee tellen later zeulde ik de boom naar huis en thuis de trap op. Moeder lachte, mijn broertjes en zusjes ook, voor zover ze nog wakker waren. Samen versierden we de spar met de schaarse ballen, de gebar­sten piek en de twee kettingen met hier en daar een kapotte kraal. De schamele drie kaarsen verankerde ik in hun eigen vet op een schotel­tje, waaruit stukjes glazuur ontbraken. De kerstboom pronkte en we konden kaarsjes branden.

Tevreden viel ik in slaap, tussen mijn broertjes. Om zeven uur de volgende morgen kleedde ik de boys en mijn zusjes stilletjes aan, geholpen door zus Miep. Hand in hand wan­delden we naar de St.-Franciscus­kerk voor het bijwonen van de heilige mis van acht uur. In het prachtig versier­de gods­huis was het lekker warm en gaven de kaarsen een warme gloed. Zacht­jes schuifelden we naar de kerststal, waarin Jozef en Maria zich lief­devol bogen over het kindje in het kribbe­tje.

In mijn maagstreek groeide een warm gevoel. Ik dacht aan moeder, zij was altijd zo teder, begrijpend en liefdevol. De extra rijksdaalder van Cor Houtbraken had ik haar ook gegeven. Om half tien stapten we de huiska­mer binnen. Moeder was aangekleed, vader lag in bed. Doe zachtjes, hij heeft hard gewerkt, zei ze terwijl ze boterhammen sneed. Tegelijk keek ze met natte ogen naar mij. Moeder besefte dat vader niet de enige was die had gepeesd.

Samen wandelden we naar de Sandelingstraat 128 in Bloemhof, naar oma en opa van vaders kant. De hele familie was er op de koffie. Om twaalf uur kneep ik er stilletjes tussenuit. Met moeder had ik afgesproken dat ik naar de matineevoorstel­ling zou gaan in het filmtheater Colosseum met 1034 stoelen, dat in december 1929 was geopend. Vader mocht dat niet weten. Volgens hem was een bioscoop slecht voor je opvoeding. De speciale kerstvoor­stelling voor kinderen liet ik niet schieten. Dan maar stie­kem naar de film. Uitein­delijk had ik als knul van negen zelf voor het toegangskaartje gewerkt. Het kostte me vier van de vijf kwart­jes, die ik nog over had van de fooi.

Thuis kreeg ik het aan de stok met vader. Driftig als hij was, wilde hij van me weten waar ik was geweest. Mijn 'bij een vrien­dje' vertrouwde hij niet en stuurde me na een pak slaag naar bed met de medede­ling dat ik ook geen eten kreeg. Ik barstte in snikken uit. Als ik groot ben, dan krijg ik hem wel, bezwoer ik mezelf.

Door het raam keek ik met betraande ogen naar de overburen. De buurmeisjes Carla en Hannie van der Wouden zaten met hun ouders aan tafel. Nico Beyer, van de fietsenmaker, stond voor het raam. Op straat was het stil. Alleen de Commer-vrachtwagen van Jacques en Pleuni Molen­dijk en de Opel Blitz van groenteboer Siem Patijn stonden bij de waterstokerij van De Kreij geparkeerd.

Mijn tranen droogde ik af aan het raamgordijn. Verdrietig staarde ik wat voor me uit. Gelukkig kwam moeder me halen, ruim één uur nadat vader me had weggestuurd. Haar soebatten had gehol­pen. Ik mocht toch aanschuiven aan de aardappelen met appelmoes en gebraden konijn. Het dier trippelde voordien in de schuur van de benedenbuurman, meneer Verschoor, tevens onze huisbaas.Het beest smaakte heerlijk en dat zei ik tegen moeder. Ze knipoogde en glimlachte. Vader niet. Hij was nog voor het eindgebed van tafel gegaan en zat weggekropen achter Het Vrije Volk. Af en toe mompelde hij wat. Even nog had ik hoop dat hij zou vragen hoe we aan die kerstboom waren gekomen. Niet dus. Eigenlijk kon het me niet schelen. Mijn Kerstmis 1955 was geslaagd, want moeder had sinds lang weer gelachen.

Rein Wolters

Rotterdam toen en nu