Kerstverhalen......

Kerstverhalen Index

VERHAAL door JOS BRINK

Ik ging de deur uit om een vriend te vinden. Want welk mens is echt gelukkig? Wie kan zich warmen aan de ander? Wie durft alleen te zijn? Geluk komt niet zomaar op je af, je moet er blijkbaar je best voor doen...
Ik deed mijn best. Die dag voor Kerstmis. Ik liep door vuile straten en schramde me aan boze blikken en herkende mensen met hetzelfde doel. We zijn allemaal op weg, we zijn allemaal op zoek.
"Bent u een vriend?", vroeg ik aan de bakker. Maar hij had het te druk, omdat zijn winkel vol stond. "Dat is dan vier gulden zestig! ", zei hij. Ik stond weer buiten en dacht er aan dat ik ooit op zondagsschool leerde, dat een mens van brood alleen niet leven kan.
"Bent u een vriend?", vroeg ik aan de straatveger. De man vloekte. "Van wie zou ik een vriend willen zijn? Ons soort mensen heeft levenslang, ook al word je op je vijfenzestigste vrijgelaten..." En hij veegde naar zijn twee vrije dagen toe.
Ik liep verder, langs de trambaan, langs de rotonde, langs de verlichte winkels met hun zakelijke kerstvrolijkheid. Er kwam een vrouw naar buiten met zo'n boodschappentas op wieltjes.

"Bent u een vriend?", vroeg ik en hoorde zelf hoe raar het klonk. Misschien had ik er vriendin van moeten maken. Ze keek me aan alsof ze wilde gaan gillen. "Ik ben een bijstandsmoeder", beet ze me toe, "een bijstandsmoeder met drie kleintjes en ik heb nog precies twintig gulden om deze dagen door te komen. Van wie moet ik een vriend zijn? Van mijn ex? Van de regering? Van jou?"
En ze stapte het donker weer in.
Ik dook in mijn dure kraag en repte me verder, straat in, straat uit, tot ik de huizen niet meer herkende. Een man bij de bushalte keek me achterdochtig aan. "Bent u de weg kwijt? Waar moet u zijn?" Dat leek aardig. "Ik zoek een vriend", zei ik aarzelend, want na een uur of wat word je toch knap onzeker.
"Vrienden wonen hier niet, broer", zei de man nors. "Wegwezen! Anders bel ik de politie, die is je beste kameraad. Viezerik!" Ik wilde van alles terugschelden, maar hield m'n mond, omdat je je best moet doen op kerstavond.

Een keurig geklede heer, met een keurig geklede hoed en een keurig geklede zwarte paraplu rondde plotseling de bocht, zodat ik hem - maar hij ook mij - niet meer ontwijken kon. "Bent u een vriend?", vroeg ik wat benepen, want ik wilde het al bijna opgeven. "De vrijheid is mijn vriend, meneer! En geld heeft maar één klank, die van vrijheid, haha!" Hij zwaaide met zijn paraplu om de grap kracht bij te zetten. De geldwolf had vast ergens anders een duurder dak boven het hoofd.

Een betrouwbaar uitziende, nog jonge man haalde mij in. Ik vroeg in z'n rug of hij een vriend was. "Een vriend? ja, hoor es even ... Ik zit in de politiek, dus ik ben de vriend van wie dat maar uitkomt. Want wat is politiek? Daar gaat het alleen om de vraag hoe je mensen kunt gebruiken..." En hij haastte zich naar de kalkoen.

Zo ontmoette ik een vrachtwagenchauffeur die ik de weg vroeg. Hij wilde pas weer goeie vrienden zijn als de dieselprijs naar omlaag ging. Ik kwam een belastinginspecteur tegen. Die was een vriend van de Staat. En de Staat was, zo beweerde hij met grote stelligheid, weer de vriend van de burgers, want leuker kunnen ze het niet maken, nietwaar? Daarom kondigt de minister van Financiën nooit een belastingverhoging aan, maar een aanpassing... Ik sprak een reclamemaker aan. Die had vroeger in de politiek gezeten, nou, dan weetje het wel. Een journalist riep als antwoord op mijn vraag: "Feiten zijn mijn vrienden! En ik ben een vriend van de feiten!" Ik dacht: je moet de feiten eens zien als de journalisten weg zijn...

Vlakbij een kerk zag ik de dominee. "Bent u een vriend, dominee?", vroeg ik hem en ik meende een open deur in te trappen. "Ik ben een vriend van de kansel", zei de ambtsdrager. "En zo een vriend van de mensen onder mij..." Die gelooft alleen in zichzelf, dacht ik  nog,toen ik me weer in de striemende decemberregen stortte. De wereld is groot en koud en donker. Het vroor nog net niet, het zou kunnen gaan ijzelen. Er brandden geen lantarens meer, omdat die er niet waren. De wind gierde over het open veld. Het vee stond in de stallen. Ik zag alleen wat schapen bij elkaar kleumen.

Ik keek naar ze omdat zij ook naar mij keken. Een boer op de fiets kwam terug van zijn ronde. Hoe was die versregel ook alweer? "De landman gaat, als de avond is gevallen..."

Ik vroeg deze landman: "Bent u een vriend?" "Nee!", zei de boer. "En jij bent dronk'n! Schaam je, jongen! Daar is het nog te vroeg veur! Wat mot dat hier? Ga naar huus, of ga naar de kerk, het is Kerstmis! Oprott'n! Ik hou er niet van als de mensen alleen rondloop'n!
"Ik ook niet", zei ik, "daaròm juist..."
"Nou, opgemarcheerd man! En laat ik je niet weer treff'n!" En hij trapte verder, nu weer op z'n fiets. Ja, de wereld is groot, de wereld is koud en soms erg donker.

Ik sta op een viersprong en weet niet welke kant ik op moet. Ik heb wel eens iets geleerd van sterren. Ik weet waar het noorden is en waar het zuiden. Ergens daartussen moet de warmte bestaan die ik nodig heb. Die heel veel mensen nodig hebben. Niet voor even, maar voor altijd. Niet een beetje, maar een heleboel. Ik besluit maar gewoon rechtdoor te lopen en alles achter me te laten: de bakker, de straatveger, de bijstandsmoeder ..
De tandarts, de goudzoeker, de vrachtwagenchauffeur en de belastinginspecteur, de reclamemaker, de journalist, de dominee ...
De boer en uiteindelijk ook de schapen, die me tenminste nog vriendelijk toeknikken: ach, een mens is met weinig tevreden op den duur ...
"Bent u een vriend......", mompel ik in mezelf. En ik voel hoe belachelijk die vraag is. Wie vraagt zoiets nou! Wie doet zoiets nou? Waarom blijf ik niet gewoon thuis, bij mijn open haard, met een goed glas wijn en de zakelijke gezelligheid uit de winkel? Ik heb veel méér dan twintig gulden om deze dagen door te komen en ik hoef er niet drie kleintjes van te voeden. Wat zoek ik? En waarom? Hoe leef ik en waarvoor? Wat denk ik en voor wie? Waar loop ik en waar loop ik naartoe?

En dan word je pas echt alleen, als je jezelf die vragen stelt. Omdat er geen antwoord is. Omdat je niet bij machte bent een antwoord te bedenken.
Ik krijg het nu echt koud. Er staat een schuur in het veld en er is geen boze boer in de buurt die me het schuilen zal beletten. Ik voel dat ik doodmoe ben van de wereld waarvoor ik heus mijn best doe, maar wat niets, maar dan ook helemaal niets helpt.
Op de tast vind ik een deur, duw die open en ruik dieren. Het is er warm en het is er op een wonderlijke manier licht. Het zoemt nog' door mijn hoofd: "Bent u een vriend?" Tot ik merk dat ik bij een voederbak sta. Er ligt een jongetje in.

JOS BRINK
Rotterdam toen en nu