Stoomlocomotieven van de RTM......

Rubriek Index

Deze pagina is gemaakt met veel informatie van Bas Koster. Per slot van rekening was zo'n beetje z'n hele familie betrokken bij de RTM op de eilanden.
We hebben het door Bas verzamelde materiaal aangevuld met gegevens afkomstig van Machinefabriek Breda en van Werkspoor, de twee belangrijkste leveranciers voor stoomlocomotieven van de RTM.

 

De eerste locomotieven, serie 1-15

Van de oudste stoomlocomotieven van de RTM is niet heel veel bekend. We weten, dat de nummers 1 of 2 en 8 deelnamen aan een competitie van de Arnhemsche Tramweg-Maatschappij in april en mei 1881. De bedoeling van deze competitie was, vast te stellen, welk ontwerp het meest geschikt was voor de Nederlandse tramwegen. Zes fabrikanten werden uitgenodigd; vier zonden een locomotief in. Winterthur leende de door haar aan de RTM geleverde loc 1 of 2 voor deze gelegenheid en bracht hem over naar Arnhem. En de firma Krauss deed insgelijk met de RTM loc 8. Zodoende weten we dat de RTM 1 en 2 Winterthurs waren, met zogenaamde Brown-stoomsturing; en dat de RTM loc 8 een Krauss met buitenliggende cilinders was.

Het resultaat van de competitie was overigens dat de Krauss de beste loc was; maar veel stoomtram-directies waren weinig geporteerd voor buitenliggende cilinders wegens de grotere slijtage van het drijfwerk. Zij voelden meer voor de volledig ingekapselde trams met binnenliggende cilinders en dito drijfwerk.

Vervolgens weten we, dat de RTM locomotieven 12-15 rond 1898 geleverd werden door Machinefabriek Breda, met de fabrieksnummers 138-141. Ze hadden een dubbele stuurstand, zodat de machinist altijd aan de kopzijde van de trein kon plaats nemen. De oorspronkelijk geplaatste vuurkisten bleken bij normaal bedrijf te groot te zijn, of liever gezegd, de waterruimte om de vuurkisten bleek te klein. Al in 1901 werden kleinere vuurkisten geplaatst, onder gelijktijdige reductie van het aantal vlampijpen tot 89. Het roosteroppervlak werd natuurlijk ook kleiner, slechts 0,5 m². Op het dak van de locomotieven was een grote condensor aangebracht, deze is na verloop van tijd afgedankt.

De 12-15 zijn in 1908 omgedoopt tot 41-44 en in 1916 verkocht aan de Stoomtramweg-Maatschappij "Oostelijk Groningen".

Loc 15 met de tram Blaaksche Dijk - Strijen, te Maasdam, in 1904

 

Serie 16-22 en 25-40

De locomotieven van de serie 16-22 en 25-40 zijn in dienst genomen in de jaren 1899-1906. Van deze reeks werden de nummers 16-22 en 25-34 gebouwd door Machinefabriek Breda v/h Backer & Rueb. Daaraan danken zij hun bijnaam "Backertjes". De nummers 35-40 werden gebouwd door Werkspoor te Amsterdam, naar het ontwerp van Machinefabriek Breda. Ze zien er dan ook uit als gewone "Backertjes".

Dit waren goede voorbeelden van grotere en snelle tramlocomotieven. Het dienstvaardig gewicht was 17 ton. Op goedliggend spoor trokken zij trams van twee of drie rijtuigen met een snelheid, die ver boven de hoogst toegestane lag. In de bietentijd vervoerden zij bietentrams van twaalf tot vijftien wagons, waaronder meestal enige 25-tons vierassers! Na 1905 moesten de locs van dit model het vervoer op de beide RTM-hoofdlijnen afstaan aan de drie-assige locomotieftypen.

Van de serie 16-22 en 25-40 is er niet een voorbeeld bewaard gebleven. Na de geleidelijke uitbreiding van de diesel-electrische tractie, sedert 1945, werden zij successievelijk afgevoerd en gesloopt. De laatste, nummer 37, in 1956.

Bas schrijft: "Mijn vader maakte deze foto met zijn allereerste camera, een platencamera van het merk Nagell. Op de foto loc 16, de personen van links naar rechts: naast de buffer mijn tante Annie; erop, een dochtertje van oom Jan; wijzend, mijn moeder; op de loc, de machinist, mijn oom J.A. (Jan) Koster; het ventje op de loc, een zoon van oom Jan; voor de loc mijn oma, Jan's moeder, hem een trommel brood aanreikend; daarnaast oom Jan's vrouw, mijn tante dus, hem een "flap" drinken overhandigend. De locatie is Anna Jacobapolder (eindpunt van de lijn A.J.-polder - Steenbergen)."

Bas: "Loc 35, in 1906 gebouwd bij Werkspoor. De linker persoon op de loc is machinist oom Jan Koster. De loc heeft - zeer vooruitstrevend - elektrische koplampen. De energie hiervoor werd geleverd door een kleine dynamo.
Als ik me goed herinner, was de capaciteit daarvan voldoende om tevens 6 rijtuigen te verlichten. Dergelijke verlichting is gemonteerd geweest op de nummers 25, 27 en 35. Ik weet niet wààr mijn vader deze foto maakte; hij is van begin jaren 1930, dat weet ik wel."


 

Serie 1-14 en 47-50

Dit waren drie-assers met een dienstvaardig gewicht van ± 21 ton. Van deze serie werden de nummers 1-14 gebouwd door Werkspoor te Amsterdam. De overige nummers uit deze serie, 47-50, kwamen van Henschel te Kassel (Duitsland). Zij kregen van het RTM-personeel voor het gemak de naam "Hengsels" mee. Als eerste werden de nummers 1-6 in gebruik genomen, in 1905.

Dit waren de eerste tramlocs in ons land met het machinistenhuis achter de ketel gebouwd, een grote innovatie. Bij het ontwerp van deze krachtige drie-assers werd duideljk rekening gehouden met de opritten van de bruggen bij Barendrecht en Spijkenisse. Gebleken was namelijk, dat de asdrukken van de twee-assige locs voor het spoor op deze dijken te hoog waren.

De locomotieven liepen uitstekend en haalden zonder enig probleem de toegestane snelheid van 45 km/h; hun maximum snelheid lag zelfs belangrijk hoger.

Van de serie 1-14 en 47-50 is welgeteld één loc bewaard gebleven, de 50. Deze is actief in het Rijdend Tram Museum (RTM) te Ouddorp.

Loc 9, op een officiŽle foto van Werkspoor uit 1908
Zijaanzicht van locomotief 50 - onmiskenbaar getekend door Bas Koster

 

Serie 51-58

De hoofdmaten van deze machines waren gelijk aan die van de serie 1-14 en 47-50. Het waren dus eveneens drie-assers. Er was echter één groot verschil: de 51-58 werden uitgerust met een oververhitter, hetgeen hun vermogen 20-25% vergrootte. Vanzelf kregen ze dus het zwaarste werk toegewezen. Het dienstvaardig gewicht was 25 ton. Alle locs uit deze serie werden gebouwd door Orenstein & Koppel te Berlijn.

De locs liepen goed, trokken snel op en behaalden ook met lange trams een behoorlijke snelheid; zomers waren treinen naar Oostvoorne met wel 15 rijtuigen, volbezet met reizigers, geen zeldzaamheid.

Van deze serie zijn maar liefst drie exemplaren bewaard gebleven, de 54, de 56 en de 57. Laatstgenoemde verblijft in het Spoorwegmuseum in Utrecht; de twee andere doen dienst bij het Rijdend Tram Museum (RTM) te Ouddorp.

Zijaanzicht van locomotief 52 - onmiskenbaar getekend door Bas Koster

Bas: "Deze foto maakte ik begin jaren 1980 in Hellevoetsluis, locomotief 54 heeft geen electrische installatie
Een foto uit 1933 van S. Overbosch, genomen in de Rosestraat, van locomotief 57.
Deze had wél een electrische installatie, zoals blijkt uit de generator op de voetplaat en de electrische koplampen.

Rotterdam toen en nu