De Westerkerk aan de Kruiskade......

Rotterdamse Kerken Index

DE WESTERKERK


ONDER DE ROTTERDAMSE BEDEHUIZEN NAM DE IN 1870 GEBOUWDE WESTERKERK  aan de Kruiskade, die toebehoorde aan de Hervormde Gemeente, een aparte plaats in. Architectonisch gezien was deze kerk zowel uit- als inwendig bepaald geen uitblinker. Muziekminnaars zullen er ook wel geen uren van muzikaal genot hebben doorgemaakt, zoals dat wel het geval was met de Grote of St. Laurenskerk en de Zuiderkerk. Doch voor de Hervormde stadgenoten, die in de Westerkerk kerkten, zal zij ongetwijfeld van bijzondere betekenis zijn geweest, al was het maar door een later aanvangsuur van de morgendienst en vooral ook door de vroegdiensten gedurende de zomer. De bouw van deze kerk was mogelijk geworden door de grote vasthoudendheid en toewijding van het voorgeslacht dat zich voor haar totstandkoming beijverde. Na jaren van grote financiële voorbereidingen werd overgegaan tot aankoop van de uitspanning " WiIlem Ten" aan de Kruiskade. De hierbij behorende comedie-zaal zou tot kerkzaal worden verbouwd en een gedeelte van de grond zou worden bestemd voor de bouw van een school. Door de verwerkelijking van dit plan zou de Hervormde Gemeente voor extra hoge bouwkosten bespaard blijven. Doch dit plan ging niet door. Een ander plan om, in plaats van de comedie-zaal tot kerk in te richten, een geheel nieuwe kerk te bouwen werd later aanvaard. Op 28 december 1867 vond de aan- besteding plaats van de bouw van de kerk die was ontworpen door de heer J. A. Jurriaanse. Aan de op een na laagste inschrijver, de heer G. Key, werd de bouw gegund voor een bedrag vanf76000,-. Nadat de fundering gereedgekomen was, kon op 12 juni 1868 de eerste steen worden gelegd. Precies twee jaar later, op 12 juni 1870, eerste Pinksterdag, werd de kerk in gebruik genomen tijdens een bijzondere dienst, waarin voorging Ds. W. Th. van Griethuysen. Als tekst had deze gekozen Mattheus 21 vers 13 (midden) : "Daar is geschreven, mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden".
De Kruiskade met de Westerkerk gezien vanaf de Coolsingel (1870)
GEBOUWD IN LANDELIJKE OMGEVING

In de eerste jaren van haar bestaan domineerde de Westerkerk in haar omgeving die toen nog vrij landelijk was. Later, nadat de Kruiskade een zeer drukke winkel- en verkeersstraat was geworden, viel dit bedehuis niet meer zo op. De kerk stond met de voorzijde aan de Kruiskade, terwijl zij aan de rechterzijde werd begrensd door de Crispijnlaan. Zij had een vierkant tot grondvlak en was opgetrokken van baksteen. Het gebouw bestond uit een schip met twee dwarspanden van gelijke hoogte als het schip en een grote vierkante toren met opengewerkte topgevels, die was bekroond door een hoge achtkantige spits. De toren was onderaan met twee zijden in de kerk ingebouwd en van een uurwerk voorzien. De kerk was overspand door een vrij hoog gekruist zadeldak dat met leien bedekt was. De vier topgevels van de kerk waren alle door een kruis bekroond. In elk der gevels bevonden zich een groot roosvenster en twee lagere rondboogvensters. Onder de grote vensters waren de ingangen van de kerk. Onder de kleine vensters bevonden zich kleine rondboogvensters. De gevels waren versterkt door aangebouwde steunberen en op de hoeken met dubbele steunberen die iets boven de dakgoten uitstaken en van pyramide-dakjes waren voorzien. Langs de bovenranden van de topgevels waren gemetselde versieringen aangebracht.

SOBER INTERIEUR

De Westerkerk had een sober interieur. De kerkruimte bestond uit een breed schip en twee dwarspanden die door tongewelven waren afgedekt. Er waren drie galerijen die via trappen in afzonderlijke trappenhuizen op de hoeken van het gebouw te bereiken waren. Deze galerijen werden elk in het midden door twee vierkante zuilen ondersteund. Aan de voorzijde waren zij door gesloten balustrades afgesloten. Vooraan bevond zich een podium, waarop in het midden een eenvoudige vijfkantige kansel met dito klankbord stond. Aan weerszijden van de kansel stonden op de hoeken van het podium de banken voor de ouderlingen en de diakenen. Het podium was door een podiumhek afgesloten en in het midden via enkele treden toegankelijk. Het meubilair bestond uit banken die in drie vakken in het schip en onder de frontgalerij en in drie kleine vakken onder de beide zijgalerijen waren opgesteld. Op de galerijen waren eveneens banken geplaatst. Het totaal aantal zitplaatsen bedroeg 1470. Hoewel de kerk van vrij grote vensters was voorzien, kreeg zij desondanks toch onvoldoende licht naar binnen.~ Wellicht vond dit zijn oorzaak in de vrij dichte en hoge bebouwing van de Kruiskade en directe omgeving. Tijdens de avonddiensten werd de kerk verlicht door een aantal eenvoudige electrische lampen die het toch al sobere interieur evenmin verfraaiden.

De Westerkerk na het bombardement gezien van de Helmerstraat
NIEUW MECHANISCH ORGEL

In 1872 kreeg de Westerkerk haar eerste orgel. Dit instrument had slechts 9 sprekende stemmen en 608 pijpen en was geplaatst in een neo-gothische kast. Het werd gebouwd door de firma J. Biitz en Co te Utrecht. Daar dit orgel voor deze kerk te klein was, werd het in 1934 overgeplaatst naar de kerkzaal van het Emmahuis aan de Schiekade, waar het nog steeds in gebruik is. In de plaats van dit orgel werd de Westerkerk in 1936 verrijkt met een nieuw instrument geleverd door de firma G. van Leeuwen en Zoon te Leiderdorp. Zondag 13 december van dat jaar werd het in gebruik ge- nomen tijdens een kerkdienst waarin Ds. J. A. Kwint voorging. Het orgel werd bij deze gelegenheid bespeeld door de organist van de Grote of St. Laurenskerk J. H. Besselaar Jr die bij de bouwals adviseur was opgetreden. Het orgel was gebouwd volgens het mechanische sleepladensysteem en had twee klavieren en vrij pedaal. Het telde 23 sprekende stemmen en had een electrische windvoorziening. Het pijpwerk van het tweede klavier stond opgesteld in een zwelkast. Het orgel was van uitstekende makelij, prachtig geintoneerd en had vele combinatie mogelijkheden. Het was geplaatst in een eiken kast.
DE ORGANISTEN

De eerste organist van de Westerkerk was de heer G. H. Vijgeboom. Deze werd in 1835 te Rotterdam geboren. Op 20-jarige leeftijd bespeelde hij het orgel tijdens de godsdienstoefeningen van de "Deutsche innere Mission" te Rotterdam. In 1862 kreeg hij op aanbeveling van de organisten B. Tours en S. de Lange de benoeming tot organist te Overschie. Zowel in zijn koraalspel als in zijn orgelconcerten hield Vijgeboom de herinnering levendig aan genoemde orgelmeesters, naar wie hij zich geheel had gevormd. Hij componeerde cantates, koorwerken en andere muziekwerken, die werden uitgevoerd door de zangvereniging "Excelsior" en het fanfarekorps "Obadja", waaraan hij als dirigent verbonden is geweest. Na zijn vertrek naar de Oosterkerk aan de Hoogstraat werd hij op I juli 1877 opgevolgd door Jozua (Jos) Schravesande. Deze organist werd in 1844 te Rotterdam geboren en werkte van zijn 14e tot 17e jaar op de orgelfabriek van Kam te Rotterdam. Daarna begon hij zijn muzikale studie voor orgel, piano en compositie bij de organist van de Evang. Lutherse Kerk J. B. Litzau. Verder studeerde hij voor zang bij Carl Schneider en voor instrumentatie bij F. Blumentritt. Voorheen was hij organist van de Waalse Kerk te Delft en sedert 13 april 1873 van de vroegere Prinsekerk aan de Botersloot. Schravesande was evenals zijn voorganger dirigent en componist. Van zijn hand verschenen o.a. twee Andanten voor orgel, een Elegie voor cello en orgel en een Kerstzang voor drie vrouwenstemmen en orgel. In april 1908 werd in zijn plaats als organist van de Westerkerk de heer T. W. Sprey benoemd. Deze kreeg zijn muzikale opleiding van Hendrik de Vries en bleef het Westerkerk orgel tot zijn ondergang in 1940 trouw. De heer Sprey werd daarna organist aan de Noorderkerk van de Jacob Catsstraat, waar eerder de heer M. Guittart het orgel bespeelde. Ter vervanging van de Westerkerk en de voormalige Zuiderkerk aan de Glashaven werd in 1960 de door de Rotterdamse architect Barend van Veen gebouwde nieuwe Pauluskerk aan de Mauritsweg door de Hervormde Gemeente in gebruik genomen.
Rotterdam toen en nu