Het horeca-concern van Dirk Reese, 1902-1960 (ongeveer)

Uitgaansleven Indexpagina

Pschorr aan de Korte Hoogstraat

Begin jaren 1910 nam Reese het destijds zeer bekende "Pschorr" in de Korte Hoogstraat over van de eerste eigenaars, de Duitser Louis Willkomm en diens vrouw. Hij introduceerde hier volop live entertainment, haalde daarvoor beroemde sterren naar Rotterdam, zoals Elmer Spyglass, de neger-bariton, hij plaatste de dirigent Lanfredi voor het orkest. Max Tak en Koos Speenhoff speelden en zongen er. Ook Jean-Louis Pisuisse trad er op, en Louis Davids, Kees Pruis, Willy Derby, Lou Bandy ....

-----------
Elke avond waren Reese en zijn vrouw in Pschorr te vinden en die toegewijde persoonlijke aandacht heeft ongetwijfeld stevig bijgedragen aan het succes. Maar dit succes duurde niet. In de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland weliswaar angstvallig neutraal, maar het land ondervond natuurlijk wel sterk de economische gevolgen van deze oorlog. In die tijd werd het onmogelijk, een bedrijf als Pschorr met positief resultaat te laten draaien. De deuren aan de Korte Hoogstraat dienden te worden gesloten. Kort na de afloop van de Eerste Wereldoorlog echter zag de situatie er alweer heel anders uit. Er ontstond een frenetieke inhaalvraag naar luchtig vermaak en ook in Rotterdam werd de behoefte gevoeld, mee te delen in de geneugten van de "roaring twenties" en de "mad thirties". Bij Pschorr, ja, dat kon, want Reese opende (in 1924) een nieuw Pschorr aan de Coolsingel, op de plaats waar later Dancing Bristol heeft gestaan: even ten noorden van het Stadhuis aan de rechteroever van de Coolsingel.

Pisuisse trad op bij Pschorr. Jean-Louis Pisuisse, een van de bekendste grondleggers van het Nederlandse cabaret en van het Nederlandse levenslied, gezegend met een goede smaak, een scherp zicht op de absurditeiten van het leven en veelgevraagd in heel Nederland en Nederlands Indië. Hier staat hij links met gitaar, samen met de journalist Max Blokzijl aan het straatorgeltje. De derde persoon is (ons) onbekend. De heren zijn verkleed als straatzangers en brengen ongetwijfeld een fraai lied ten gehore.

We noemden zojuist een heel risje artisten. Sommige namen, zoals Pisuisse, Speenhoff, Louis Davids, Willy Derby en Lou Bandy zijn in Rotterdam ook tegenwoordig nog bekend - of zouden dat moeten zijn! Andere namen zeggen misschien niet zo veel meer?
Laten we daarom eens een paar van deze gasten onder de loep nemen.

Max Tak

Max Tak dirigeerde het fameuze naar hem genoemde theaterorkest, dat in de Amsterdamse Tuschinski-bioscoop de filmvoorstellingen begeleidde en omlijstte. "De voorstelling begon met het orkest, dan kwam er een riedeltje op het orgel, dan het nieuws, de film (bijvoorbeeld Stan Laurel en Olivier Hardy) en dan variété". Aldus een contemporain Amsterdams bezoekertje, die zich die voorstellingen nog goed kon heugen.

Het Tuschinsky-orkest begeleidde ook regelmatig zangers bij plaatopnamen. Daarnaast leidde Max Tak Tuschinsky's Berceley's Jazz Band. En hij leidde als violist het Max Tak Trio (met Mevr. Leysen, harp en N. Claassen, fluit) voor het meer serieuze werk. Regulier klassiek repertoire speelde Max Tak ook, samen met Van der Meer op cello en Pierre Palla op piano.

Het Orkest Max Tak bestaat nog immer. Het maakt tegenwoordig filmtheater met en bij grote en bekende zwijgende films uit de begintijd van het witte doek. Ze hebben een eigen website. Daarnaast treden ze op als dansorkest, gespecialiseerd op de twintiger, dertiger en veertiger jaren.

Kees Pruis

Kees Pruis was een Amsterdamse groenteboer, humorist en in heel Nederland veelgevraagd populaire zanger. Hij schreef muziek voor feesten, vertaalde bekende buitenlandse schlagers in het Nederlands en schreef ook veel eigen teksten. Zijn liedjes waren vrolijk en vaak op het schuine af; uiterst aanstekelijk. Ze vonden (mede daarom?) waardering bij een breed publiek. Pruis heeft veel van zijn liedjes ook op gramofoonplaat opgenomen.

Elmer Spyglass

Elmer Spyglass was de zoon van een hoefsmid in Springfield, Ohio. Vader Spyglass was een hartstochtelijk organist en zoon Elmer speelde op z'n vijfde al goed piano. Hij zong in het koor van de lokale St. John's Missionary Baptist Church in Springfield en al spoedig zong hij daar ook solo's. Elmer besloot zich helemaal aan de muziek te wijden en vertrok in 1906 naar Europa. Zo kwam hij in Antwerpen als zanger voor een derderangs dames-salonorkest te staan. Zijn neger-bariton bleek voor Europese oren een openbaring. Nooit had men negro spirituals zo sonoor en gevoelig horen zingen. In 1909 trok Spyglass naar Nederland. Hier bleef en werkte hij ruim 20 jaar. Hij zong onder meer bij het cabaret van Jean-Louis Pisuisse.

Spyglass trad op vele plaatsen in Europa op. Met Sarah Bernhard in Parijs, met Carl Valentin en Liesel Karlstadt in München, met Otto Reutter in Berlijn. Zijn repertoire omvatte aanvankelijk voornamelijk spirituals, die in Nederland "plantageliederen" werden genoemd - daar was de meeste belangstelling voor, zóó exotisch!

Rotterdam toen en nu