De Paardensmid vooraan op de Goudschesingel, vlak bij het Oostplein.....

Bedrijven Indexpagina

Voor de oorlog barstte het in Rotterdam van de paarden. Sleperswagens, bakkerswagens, groenteboeren, melkboeren, allerlei wagens in allerlei model en allemaal met paardentractie. Dat vergde een hele infrastructuur. Hooi, stro, haver moesten worden aangevoerd. Stalruimte. De dierenarts. En de paarden- of hoefsmid. Want alle paarden dienden te worden beslagen. Het onderhoud van dit beslagwerk was puur ambachtelijk. Zo'n hoefsmid nam de te bewerken hoef tussen de dijen en raspte hem in model; peurde hem schoon, en nagelde het nieuwe hoefijzer (na passmeden), gloeiendheet op z'n plaats. Het paard werd geacht, rustig te blijven staan op drie benen met het vierde been naar achteren omhoog geknikt.

Het lijkt een eenvoudig verhaal, maar het was geen simpel en licht werk, verre van dat. Soms werden de benodigde hoefijzers zelf gesmeed, meestal werden ze echter gekocht bij een fabriek of groothandel. Het pasmaken van een hoefijzer en het prepareren van de hoef was altijd handwerk. Niet alle paarden waren even gelijkmoedig van humeur en je liep als smid altijd kans, een stevige trap achteruit tegen je dij te krijgen. Dan mocht je van geluk spreken, als je been niet gebroken was. Bont-en-blauw was het in ieder geval wel. Tetanus-injecties kende men destijds nog niet, dus infectie van een open wond was een ander typisch bedrijfsrisico. Het werk in een smidse is heet en leidde vaak tot grote, zo niet onlesbare dorst. Alcoholisme was dus een ander soort beroepsziekte.

Voor toeschouwers was het beslaan der paarden altijd een opwindend gezicht. De schroeilucht bij het opleggen van net nieuwe ijzer. De opkringelende rook. Het paswerk aan het smidsvuur. De snelle en krachtige hamerslagen. Er stond dus meestal wel een rijtje ventjes bij de deur, om het werk (ongevraagd) van deskundig commentaar te voorzien. Helemaal spectaculair werd het, wanneer het paard in de "stal" werd gezet. Door het optrekken van één of zonodig meer benen stond het paard zo gammel, dat het de smid niet overwacht zo'n venijnige schop kon geven. Die hoeven waren zo groot als overmaat pispot, dat kwam echt wel aan.

Onderstaande foto's dateren van begin jaren 1930.

Als je met twee man kon werken, ging het een stuk makkelijker. Eén man nam het paardebeen op de dij en hield het vast in positie. Was het een achterbeen, dan leunde hij stevig met de schouder of rug tegen de paardebil. De ander hanteerde vijl, rasp, of hamer, tang en nagels.
Hier wordt een voorhoef afgewerkt met de vijl. Het paard staat in een "stal" en kijkt meewarig toe, of de smid z'n werk wel goed doet. De tweede man hield het met een eind touw opgetrokken voorbeen in bedwang. Het wilde nog wel eens voorkomen, dat het paard besloot z'n voet nu even neer te zetten. Als het daar ook maar enigszins de kans toe kreeg, moest je wel zorgen dat je jouw eigen voet op tijd had weggetrokken. De smeden dragen niet voor niets klompen.
Het lijkt wel seriewerk! Zie je de horizontale ijzeren stangen, waar het trektouw overheen werd geslagen? Die knaap rechts kan beter opletten!
Een nieuw hoefijzer ligt in het vuur. Wanneer het lichtrood tot geel van kleur is, neemt de smid het met een tang uit het vuur om het ijzer op een aambeeld precies in de gewenste vorm te hameren. In de linkerhand houdt de smid hier een tang, met de rechterhand trekt hij met een pook gloeiende steenkool over het ijzer, zodat er zo min mogelijk warmte verloren gaat en het ijzer gelijkmatig wordt verhit. Rechts voor het vuur een geklonken waterbak, waarin de smid regelmatig z'n gereedschap afkoelt.
Smeden op het aambeeld. De smid zelf gebruikt een 1,5 kilo hamer; de slagman gebruikt een voorhamer van zo'n 3-4 kilo. Overigens is dit een geposeerde foto. Zou de slagman werkelijk toeslaan, dan vloog het hoefijzer de smid beslist uit de tang. Hij houdt het alleen maar zo schuin om de fotograaf te gerieven. De heer op de achtergrond rechts kijkt liever naar de fotograaf dan naar het werk ....
Rotterdam toen en nu