Havenwerkers en hun woonomgeving......

Woonomgeving......

Het merendeel van de vroegere bootwerkers, die tegenwoordig met wat meer respect havenwerkers worden genoemd, woonde in dichtbevolkte arbeidersbuurten. Zij hadden veelal de beschikking over een eenvoudige etagewoning zonder enig comfort. Zo ontbrak bij voorbeeld een behoorlijke wasgelegenheid.
Douches waren toentertijd een ongekende luxe. Als een man de gehele dag in de haven gezwoegd had, dan was een teil met warm of koud water zijn 'badkamer'.

In de arbeidersbuurten was de straat het speelterrein van de kinderen. Knikkeren, tollen, touwtjespringen, diefie-met-verlos, voetballen... Dat laatste hield overigens een risico in. Als je namelijk door een politieagent op voetballen werd betrapt, was je wel je bal kwijt...

Havenwerkers aan het woord:
Daan:
Ik ben 72. Ik kom uit een gezin met dertien kinderen. Van hen zijn er zeven gestorven. Ik was de jongste van het stel. Wij woonden in Kralingen. Dat was toen nog een dorp. Een dorp, waarin veel rijke mensen woonden. In die tijd had je heel andere spelletjes dan tegenwoordig. Als jongens hoepelde je met een oud fietswiel naar Gouda. Op klompen, net zo makkelijk. Als je dorst had, dronk je onderweg uit de sloot. Met je klomp. Dat kon vroeger. Dat was gewoon zo.
Mijn vader was van zijn vak touwslager. Toen de touwbaan verplaatst werd naar Leiderdorp, wou die niet mee. Hij zei: ik blijf in Rotterdam. Mijn vader ging toen voor zichzelf beginnen. Wat heeft-ie nou gedaan, ik schaam me er niks voor, hij heeft - in alle eer en deugd - schillen opgehaald. M'n vader kon niet lezen en schrijven, maar hij was bij de tijd, hoor. Hij heeft tot zijn zeventigste gewerkt en toen moest -ie naar de Sociale Dienst. In die tijd werkte ik als chauffeur en ik kreeg af en toe een sigaar. Die bewaarde ik en 's zondags gaf ik mijn vader dan zo twee of drie sigaren. Nou moet je niet geloven, dat hij buiten een sigaar durfde op te steken, omdat-ie van Sociale Zaken trok. Zo was het, eerlijk waar.
Marcus:
Mijn vader had er 's avonds ook veel werk bij. Hij zat in de muziek. Hij was musicus, slagwerker. Dan ging die 's avonds naar de één of andere bruiloft of naar een feest van een personeelsvereniging of zo. Daar ging die spelen, zodat die 's avonds dikwijls niet thuis was.
Bart:
Als kind leer je een teerkwast je hanteren, een puts water scheppen, een emmer water halen voor je moeder... Zo leer je dus van alles. Toen ik twaalf, dertien jaar was, had ik al een paar vierkante handen.
Zo ging dat vroeger. Toen ik vijftien jaar was, hadden ze al een vent aan me.
Jaap:
Op 9 september 1920 ben ik geboren. In Charlois. Mijn vader heeft eerst gevaren en die is in 1928 bij de GEM gekomen. Toen is-ie op de elevator gaan wonen.
Iemand, die bij de GEM kwam werken, die moest op de elevator gaan wonen. Dat was in 1928 zo. Al die elevators waren bewoond. In het begin was het primitief, want je had wel een grote ruimte, maar je zat met de wc, je zat met wassen... Maar ik geloof niet dat je het aan de wal meer hàd kunnen wennen. Als ik uit school kwam moest ik altijd bellen om te informeren waar de elevator was. Je had d'r eentje, een hoofdbaas, die zei dan rustig: hij legt aan de Holland-Amerika Lijn. En als je daar dan kwam, dan was die al verhaald naar de Lekhaven.
Frans:
Ik ben 4 oktober 1909 geboren, in Rotterdam. In noord. Ik woonde toen in de Verbraakstraat. Mijn vader had een tuinderij. Die was bloemist. We hadden thuis acht kinderen. Armoe hadden we niet, maar ik was elf jaar, toen moest ik al mee naar het land. Je moest mee helpen verdienen.
Bram:
Mijn naam is Abraham, maar ze noemen me Bram. Ook wel de kale. Ik ben in Rotterdam geboren op 23 februari 1917. We hadden thuis zes kinderen. Mijn vader is bij de Unie Winkelmaatschappij geweest, in Schiedam. Hij heeft altijd hard gewerkt. Balen sjouwen. 't Was armoe. Absoluut. Ik ben d'r zelf niks aan te kort gekomen. Maar ja, ze konden d'r eige niet zoveel permitteren als wij tegenwoordig. Wij leven, eerlijk gezegd, in de goeie tijd. Teveel van het goeie.
Gijs:
We woonden in de Schoutenstraat, ik vergeet dat nooit... en toen hadden we één paar schoenen. 's Zondags mochten we dan naar buiten de straat op en dan moesten we steeds met z'n drieën van schoenen verwisselen. Om de beurt een ogenblikkie naar buiten.
Gerrit:
Ik heet Gerrit en ik ben drieënzeventig. Ik ben in Rotterdam geboren op de Nieuwe Markt bij de Botersloot. We waren thuis met z'n zessen, m'n ouders en vier kinderen. Mijn vader was koetsier. Hij was bij Blankenheym & Nolet, daar isie dertig jaar geweest. En toen is-ie overgegaan naar de Rouwvereniging Zwaanshals. Als koetsier. Zat-ie op de rouwwagens.
Pieter:
Ik ben geboren 29 augustus 1914. Ik ben een rasechte Rotterdammer en ik ben een rasechte Crooswijker. Wij waren met vier kinderen. Ik ben een nakomeling. Ik scheel achttien jaar met m'n zuster, zestien jaar met m'n ene broer en twaalf jaar met m'n andere broer. Mijn vader zat in het veembedrijf bij het Coöperatieve Transitoveem. Hij heeft ook bij Binneveld & Schellen gewerkt. Als jongen zijnde heeft hij op de kuiperij gewerkt.
Hans:
's Zondags kwamen alle 10 kinderen met aanhang thuis. We hadden een grote uitschuiftafel en daar ging iedereen aan zitten. Moeder had van die heksenketels. Die droeg ze onder haar arm en met een schuimspaan kreeg ieder een kwak op zijn bord. Maar als bijvoorbeeld één van de jongens niet geweest was, dan ging moeder er wèl naar toe en zei ze: je hoeft voor mij niet te komen, maar zondag benje voor vader hier! En dat gebeurde.
De verhoudingen thuis waren anders dan tegenwoordig. Vader was vader. Hl] was de baas. Dat bedoel ik niet lelijk, maar dat was zo. Als ik om 10 uur thuis moest zijn, dan had ik niet het lef om later thuis te komen. Vader had gezag. Vader kreeg het eerst en het grootste stukje vlees. Hl] was het hoofd van het gezin. Niet met harde hand, maar zo was dat.
Op een keer ging ik naar de film. Dat wilde ik ook wel eens. Ik was 16 jaar. Maar je mocht de bioscoop pas in als je 18 jaar was. Dus zette ik een hoed op mijn kop en liep tussen andere gasten, die een beetje ouder waren, naar binnen. Gepiept!
Maar toen ging de bios uit, en wie stond daar? Alida, mijn moeder. Nou, ik heb nog nooit zoveel draaien om mijn oren gehad.

's Zomers liepen we het huis uit, zo de Voorhaven in. Want een badgelegenheid of douche hadden we niet. Achter het huis was een klein plaatsje van een paar vierkante meter. Daarop stond een grote houten kuip. Die lieten we dan vollopen met water want eens in de week werd je geschuurd. Zo ging dat.
Ik ben vernoemd naar een tante van me. Mijn roepnaam is ook mijn doopnaam.
Ik ben gedoopt in de Nederlands Hervormde Kerk in Rotterdam-Delfshaven. Ik ben daar in die buurt geboren en getogen. Mijn ouders woonden in Delfshaven, net naast het gebouw waar nu het museum 'De Dubbelde Palmboom' is. Op nummer 28. Daar vlakbij was ook de brandweer. Daar heb ik nog eens een Nieuwsblad-medaille verdiend èn twee kwartjes. Want daar op Delfshaven stond een molen in de hens. Dat zag ik en ik meldde dat. Waar ik nog trots op ben is, dat ik in de krant kwam. Want ik had de brand ontdekt. En daarom kreeg ik die medaille.
Wij woonden in Delfshaven in een huisje aan het water. Ik was de jongste van tien kinderen. Mijn vader had een scheepje, een tjalk. Die voer naar de Zuidhollandse eilanden met vrachten van allerlei aard. Stenen, aardappelen, een verhuisvracht enz. En mijn moeder had een winkeltje aan de waterkant. Ze verkocht voornamelijk aan schippers. Want daar kwamen de schepen aan de kant. Juist vóór de sluizen. Ze verkocht bretels, soda, peren en noem maar op. Dat stelde eigenlijk niet zo veel voor hoor. Maar goed, alles bij elkaar hadden wij het net ietsje beter dan rechtuit.
Wij woonden in een soort pijpenla boven de winkel. Daarin waren een paar bedsteeën. Maar vader had boven de bedsteeën weer bedsteeën gebouwd. Want we moesten toch allemaal slapen! Met de trapleer moest je je bed in.
's Avonds kwamen de schippers die voorbij voeren en oude schippers die daar in de buurt woonden vaak kortavonden. Dat is binnen wippen, kletsen, koffie drinken. Wij sliepen in de bedsteeën. We praten vandaag over luchtverontreiniging, maar daar konden ze vroeger ook wat van hoor. Al die oude schippers zaten met die grote pijpen stoom af te blazen. Dus ja, daar kreeg je zelf ook de nodige rommel van naar binnen.

Paul:
In de Hoeksewaard, in Mijnsheerenland ben ik geboren. Mijn voornamen voluit zijn Palus Pieter. Maar in de haven noemden ze me de Blauwe. Dat komt omdat ik ze graag lust. Nog wel.

Ik had vier broers en drie zusters. Hoe we daar allemaal konden wonen, begrijp ik nog niet. Het was net een klompenhok. Ik sliep op zolder met mijn vier broers.
Het was geen kamer, gewoon een zolder. Je keek zo tegen de dakpannen aan. Met een houten trapje moest je naar boven.
Tot mijn zesde jaar heb ik daar gewoond. Toen zijn we verhuusd naar de Blaaksedijk. Daar kregen we een groter huis.

Berend:
In de Chrispijnlaan in Rotterdam ben ik geboren. In de oorlog is die weggebombardeerd. Die laan was in de buurt van de oude schouwburg. Ik had zes broers en twee zussen. Met z'n allen woonden we in een (te klein) huisje in een hofje. De Crispijnlaan bestond uit allemaal hofjes. Smalle hofjes. Ik kon met handen en voeten klem tussen de huizen naar de derde verdieping klimmen. Zo smal waren die steegjes.
Als we 'diefie-met-verlos' speelden, waren ze me vaak kwijt. Dan zat ik op het dak.
Er was in de Chrispijnlaan ook een wagenmakerij en wagenverhuurderij . Handkarren verhuurden ze daar. De groenteboeren en visvrouwen huurden daar hun karren om naar de markt te kunnen. Zo kwam ik in contact met een groenteman.
Ik was twaalf jaar. Met de groenteman mee betekende om drie uur opstaan, mee naar de markt en eerst aardappelen halen. Nou had die groenteman een kar met een hond eronder. En die kon trekken! Je moest wel de kar in evenwicht houden natuurlijk. En dat viel niet altijd mee.
We woonden in de buurt van de schouwburg. Het gebeurde vaak dat ze bij een voorstelling figuranten nodig hadden. Mijn vader leverde die maar al te graag. Tenslotte had-ie acht kinderen. Aïda werd gespeeld. Op het toneel stond een grote pan, waaronder een zogenaamd vuur was. Naast het vuur staat een zwerver z'n handen te warmen. De zwerver moesten wij bekogelen met sneeuwballen. De sneeuwballen had men vergeten. Wat nu? Buiten lag er sneeuw. Het was winterdag. Dus de oplossing lag voor de hand. Enfin, wij maken een berg echte sneeuwballen en beginnen naar de zich warmende zwerver te gooien. En we raken die vent goed. Hij wordt kwaad. Echt kwaad. Hij rent ons achterna op het toneel. De zaal bulderde van de lach.
Riolering hadden we niet. Dus buiten hadden we een stilletje (een plee achter het huis). En als het nat was buiten, nou dan was het ook nat. Je stond met je poten in het water.
Dus hadden we binnen onder tafel een po. Die gebruikten we 's nachts. Dan hoefden we niet naar buiten. Elke ochtend werd die leeggekieperd.
Met z'n tienen zaten we aan tafel. Op elk bord een stapeltje brood. Je ging natuurlijk daar zitten waar de grootste stapel brood stond. Of je verruilde snel je bord.
Maar mijn moeder wist dat. Die legde soms onder de stapel brood een lucifersdoosje. Dan kleunde je wel mis...
Dries:
Thuis waren we met z'n tienen. In ons huis waren twee bedsteeën. In de voorkamer werden de mensen geschoren. Mijn vader was ook barbier. Overdag boerenknecht en 's avonds scheren. Zo kreeg ik mijn bijnaam 'André de scheerder'. Voor 3 centen werden de boeren geschoren. Ze hadden baarden als roostermatten. Als mijn vader aan 't scheren was kon ik het gekras in de woonkamer horen.
Met een breed scheermes werden ze geschoren. Als ze met z'n tweeën kwamen, dan rekende mijn vader vijf cent. Dat scheelde toch een cent! Terwijl die boeren in Puttershoek toch stikrijk waren.
Veel vrienden had ik. We voetbalden, speelden diefie-met-verlos. Op de Groene Hilledijk was een schoenwinkel, die de schoenen in de etalage uitgestald had op glazen platen. Eerst twee steunen, daarop een glazen plaat met schoenen. Op die glazen plaat ook weer steunen met een glazen plaat, waarop schoenen. Zo stond de hele etalage vol.
:Nou waren er in de houten lijst waar het raam in zat, luchtgaten. Dan kon het evenruele condenswater weglopen.
Wij maakten dan aan een ijzerdraadje een lusje en haakten dan één van de steunen om. Het resultaat kan je zelf bedenken. . .
's Zaterdags ging ik vaak met bekende jongens een biertje drinken en wat biljarten. Toentertijd dronk je nog geen borrel. Dat bestond geloof ik niet. Tenminste niet voor havenarbeiders. Wel bier. Dat dronk ik graag.
Hobby's had ik niet. Je moest alleen maar werken.
Gradus:
Ik heb een fantastische vader en een fantastische moeder gehad. Eerlijk waren ze.
Goudeerlijk. En dat kan ik geweldig waarderen. We waren met zeven kinderen :.huis, maar we waren hun allen even lief. Geen onderscheid. Thuis was het fantastisch.
Nico:
Met dertien kinderen woonden we in één huis. Dat was niet al te ruim natuurlijk.
Toen mijn moeder achtenveertig jaar was, werd de jongste geboren.
We sliepen met z'n tweeën in één bed. Een douche hadden we niet. Eén keer per week werden we in de teil gestopt. De jongste eerst. Voordat de laatste aan de beurt was, dreef er een laagje op het sopwater. Van de groene zeep kwam dat.
Maar je glom wel als je klaar was. Mijn moeder was een heldere vrouw. Hoe ze er kans voor zag weet ik niet, maar ze ging nog uit werken ook. 's Zomers tulpenbollen pellen. Bakeren deed ze ook.
Want iedereen had veel kinderen. Daar verdiende ze een gulden per dag mee.
Cor:
In Dordrecht ben ik geboren. In 1917. Ik ben de zevende van tien kinderen. Maar al op mijn vierde jaar zijn we naar Rotterdam verhuisd. Mijn vader was kleermaker. We sliepen met z'n drieën in een tweepersoonsbed op zolder. Daar stonden drie bedden. En mijn ouders sliepen in de bedstee.
Armoe hadden we. 's Zondags kwam ik niet buiten, want ik had geen schoenen.
Op klompen liep ik. Die kreeg ik van school. In de eetzaal kregen we 's middags warm eten. Dat heeft mijn leven gered. Want thuis hadden we niet meer... Mijn moeder had zeventien gulden in de week. En dan met tien kinderen. Als de huishuur er af was en de pof van de vorige week, dan had ze op maandagmorgen drie gulden voor de hele week.
Een nieuwe fiets heb ik nooit gehad. Ik heb nooit een cadeautje gehad met Sint Nicolaas of zo. Mijn moeder kocht vijf liter melk, taptemelk, voor een dubbeltje, en dan maakte ze daarvan chocolademelk. Een speculaasje erbij en dat was ons Sinterklaasfeest.
Ton:
Vrijdagsavonds ging ik naar het badhuis. Dat was bij ons om de hoek. Dat was een badinrichting waar je je kon douchen. Want thuis had je geen douche. Je woonde erg klein. De woning, waarin wij woonden was in tweeën gedeeld. Een voor- en een achterkant. Wij woonden voor en achter woonde een bejaard echtpaar. Het toilet moest je samen mee doen. De huur was er wel naar, maar ja, je wist ook niet beter.
Koos:
Op de Heijplaat stonden allemaal houten huisjes. Er waren ook enkele stenen huisjes, maar daar woonden de bazen in. Later werden er ook scholen gebouwd en zo. Daar kwam ik van de hemel in de hel terecht. Want 's zomers moest ik op het land gaan helpen. Dan kwam de dominee op school en die wees de kinderen aan die bij het oogsten moesten gaan helpen. Van 's morgens zeven uur tot 's avonds zeven uur. Dus geen school. En dat kon weken of maanden duren. En op vrijdag of zaterdag na het werk, kreeg ik nog wat mee voor de dominee. Dan kon ik nog eens een half uur omlopen om het bij de dominee af te geven. Dan kreeg ik wel de pest in. Het meisje van de dominee had dan een speculaasje gekregen voor mij, maar daar beet ze dan zelf eerst de helft van af...
Op de Oranjeboomstraat ging ik naar school. Bij de broeders en bij de zusters. Als de nonnen wisten dat ik olienoten had gegapt, dan moest ik in de hoek vijftig weesgegroetjes opzeggen. Op je knietjes.

Van een woonhuis maakten ze vroeger een kroeg. Vooral op het Noordereiland. De grote woonkamer werd in tweeën gedeeld. De voorkant werd kroeg en achter sliepen ze in de alkoof. Ja, dat kon vroeger allemaal. Toen was het niet zo streng.
En de concurrentie was groot. Bij de één kreeg je acht pilsjes voor een gulden en bij de ander negen. En als mijn vader terugkwam van een reis, ja, dan ging die even de kroeg in. En dan moest ik hem halen.
Je kon overal zwemmen. Overal was nog goed water. Je sprong er maar in en zwemmen. We zwommen vaak genoeg van de Heijplaat naar Schiedam. Je deed dat als het bijna hoogtij was. Dan dreef je vanzelf af. Je bleef daar dan een poosje tot het tij weer keerde. Niet te lang wachten anders dreef je de Heijplaat weer voorbij. Nou dat heb ik wat gedaan!

Rinus:
In mijn jeugd hadden we een clubje van vier jongens. Samen gingen we dan 's zaterdags of 's zondags kamperen. We hadden een tent, bonden die met wat andere spullen achterop de fiets en dan reden we naar de Waalhaven, waar nu pier 7 is.
Later gingen we naar de Welplaat. We fietsten dan naar Rhoon, gooiden het hele zaakje in een boot en dan roeiden we de Oude Maas op naar de Welplaat.
Daar zetten we onze tent op. Je zag daar geen sterveling. Je kon op je gemak naar de voorbijvarende boten kijken. Het was als het ware een onbewoond eiland.
Eén van de jongens was de zoon van een politie-agent. Hij had een kunstbeen.
Zo'n dunne rechttoe-rechtaan houten poot. Z'n been was door een trein eraf gereden.
Het was een leuk clubje. Tinus, de vriend met het kunstbeen speelde mandoline en wij mondharmonica. Het klonk heel aardig. We werden wel eens uitgenodigd hier en daar.
T. V was er niet, dus we musiceerden, damden, speelden schaak en figuurzaagden.
Dat deden we allemaal in de kelder van één van onze vrienden.
Marco:
Kijk, wij woonden aan boord van de elevator. Dus wij speelden als kinderen met het graan. De strijkbout van mijn moeder was de sleepboot. Een stuk hout de elevator en graan was er genoeg. Met m'n broer deden we dat, denk ik, dagelijks.
Want veel vriendjes had je niet. Je moest met een roeiboot naar de wal; naar school lopen, wel twintig minuten, en's middags weer terug. Je was dus aangewezen op de elevator als speelplaats. Maar het kon best wezen, dat de elevator in de loop van de dag verhaald werd naar de Merwehaven bijvoorbeeld. Dat wist je niet.
Dus je moest, uit school komend, dan eerst naar kantoor om te vragen waar de 20 lag. Dan naar de Merwehaven zien te komen en dan met de roeiboot aan boord.
Dan was je soms wel anderhalf uur onderweg hoor.
Rotterdam toen en nu