Jeugdherinneringen aan de binnenvaart..........

Rubriek Index

Door C. Willemsen........
Mijn vader had een schip dat ook wel "Binnenstadter" werd genoemd omdat het op kleine vaarwaters kon varen. We voeren door heel Nederland en door grote delen van België. Voor de grote rivieren hadden we te weinig motorvermogen, maar veel lading brachten we naar de Rotte, bijvoorbeeld brouwgerst voor de Heineken bierbrouwerij. Vanaf de Leuvesluis werd gevaren via de Vischmarkt en de toen nog open Blaak. Het sluis je dat voor de oorlog toegang gaf tot de Binnenrotte kan ik mij niet herinneren. In de oorlog is deze toegang door het bombardement verwoest en daarom voeren we via de Parksluizen, de Schie en het Noorderkanaal. Ik kan mij ook niet herinneren waar het brouwgerst vandaan kwam en ook niet hoe die vervoerd werd.
De Noorderbrug omstreeks 1930.

In Amsterdam werd niet gebrouwen en wij brachten met het schip het bier naar Heineken aan de Stadhouderskade in Amsterdam. Dit vervoer gebeurde in houten kratten. Er waren twee modellen, één voor pijpjes en één voor pullen. De ruimen werden volgeladen met nog een deklast daar bovenop en we brachten de lege kratten terug nar Rotterdam. Het schip werd geladen met behulp van een rollenbaan waardoor er niet veel gesjouwd hoefde te worden. De laad- en losploegen werkten niet op hun gemak. Recht tegenover het steiger bij de fabriek woonden de bazen en deze sloegen veelvuldig het doen en laten van de ploegen vanuit hun woning gade. Ze durfden haast geen kop koffie aan te nemen van de schipper. Even rusten kon alleen maar in het ruim, waar men vanuit de woningen niet te zien was. Het personeel kreeg enkele munten als beloning waarmee ze uit een kraan een kan bier konden tappen.

In de oorlog werden we getrokken door een sleepboot want er was voor onze scheepsmotor geen olie beschikbaar. De hele oorlog door hebben we die reizen gemaakt. Toen we op een zekere dag in de Tolhuissluis lagen onderweg naar Rotterdam, was het 'Dolle Dinsdag'. We hebben daarna een goed heenkomen gezocht in de Drecht waar we tot het eind van de oorlog verbleven. Zo hebben we de hongerwinter in Rotterdam gemist. Kort na het einde van de oorlog werd weer biergerst voor Heineken aangevoerd, uit het binnenland of per zeeschip uit het buitenland. Toen de Nieuwe Leuvesluis was gebouwd, konden we weer varen via de oude route, Door het Hang, onder de Meentbrug door. Dit was een bijzondere brug. Om ons door te laten ging hij ongeveer een meter omhoog.

Op de straat ontvouwde zich dan een trapje, zodat voetgangers niet voor een geopende brug hoefden te wachten. In de Rotte passeerden we de Westlanders en Langedijkers, die bloemen uit het Westland hadden aangevoerd. Heel vroeger hadden we geen stuurhut en was de 'kruiphoogte' voldoende om onder de bruggen door te varen. De steven van het schip en het daarachter liggende ankerlier waren dan ons hoogste punt. Later werd een demontabele stuurhut op het schip gezet. Deze moest eraf als we op de Rotte voeren. Het water in die rivier was niet altijd van dezelfde hoogte. Daardoor lagen we wel eens enkele centimeters te hoog op het water. We moesten dan 'dompen', dat wil zeggen dat eerst de voorsteven met een balk naar beneden werd gedrukt. Daarna moesten mijn vader, mijn zus en ik op het dek gaan liggen en met de voeten tegen de onderkant van de brug duwen, waardoor het schip een heel klein beetje omlaag ging. Mijn moeder zette dan de motor van het schip aan en, terwijl wij het schip op die manier vrij hielden van de brug, voeren we eronder door. Ook op andere manieren werd wel geprobeerd het schip lager op het water te krijgen. Een voorbeeld was het ophangen van een zeil in het ruim en dat vol laten lopen met water, waardoor het schip zwaarder werd.
Rotte met Noorderbrug en Heinekenbrouwerij omstreeks 1925.
We hadden dan weer veel werk om al dat water uit het schip te krijgen. We hadden geen motorpomp, dus alles moest met handkracht overboord worden gegooid. Tot 1963 is door ons en onze collega's het biergerst op die manier naar Heineken vervoerd. Natuurlijk waren er ook andere bestemmingen aan de Rotte. Zo vervoerden we veel hout, planken en bundels, naar Bergschenhoek en naar de Hillegaersbergse Houthandel. Het laden en lossen ging allemaal met de hand. Meestal hadden we een zodanig hoge deklading dat we er nauwelijks overheen konden kijken. We brachten ook pakken blik naar de blikfabriek.

Hiervan werden dan conservenblikjes gemaakt. Uit Stein in Limburg haalden we kunstmest, die ook naar Bergschenhoek werd vervoerd. Die kunstmest werd in balen vervoerd. Het lossen gebeurde razend vlug, want hoe eerder het schip leeg was, des te meer verdienste was er voor de losploeg. Van zo'n ploeg tilden twee man een baal boven het hoofd, een andere man dook eronder en liep er mee weg. Dit was vakwerk want een baal moest altijd direct goed op de rug van de sjouwer liggen. Die bracht de baal dan naar een platte wagen. Wij hadden altijd zo'n 80 ton kunstmest aan boord en die was in minder dan een dag op handkracht gelost, terwijl de sjouwer toch altijd uit het onderste deel van het ruim moest komen via een ladder. Ik heb er altijd met bewondering naar gekeken. Deze herinneringen kwamen kortgeleden bij mij op, toen ik met de Croosboot een tocht over de Rotte maakte. De gids vertelde veel over wat er aan de kant te zien was, maar de herinneringen die ik aan de Rotte heb zijn tijdens zo'n tocht moeilijk te vertellen. Je moet het zelf hebben meegemaakt om dat te weten.

Rotterdam toen en nu