Kinderspelen in Oud-Rotterdam..........
Door Meijer de Wolf.......
In vroegere jaren werden de dagen van de schoolvakanties over het algemeen doorgebracht in de omgeving van je woning. De laatste schooldag was een dag waarop nooit veel meer werd geleerd. Maar we waren altijd dolblij als ook die dag afgelopen was en de bel voor de laatste keer luidde. Op die tijd renden we de blauwe stoep van de school aan de Gaffeldwarsstraat af en we waren blij dat we de school enige tijd alleen maar van de buitenkant zouden zien.
Gewoon naar huis lopen was er nooit bij. We gingen die weg bijvoorbeeld haasje-over springend. Eén jongen ging dan gebukt staan en de anderen sprongen dan over hem heen, waarna de volgende een eind verder ging staan, over wie we dan heen sprongen. Bij ons huis gekomen werd er, voordat ik naar binnenging, gevraagd of ik nog buiten kwam spelen. Ik antwoordde dat ik het zou vragen en ging naar binnen.
Ik stelde die vraag aan mijn moeder, maar die zei dat ik eerst een boterham moest eten en daarna nog een paar boodschappen voor haar moest doen. Nadat die boodschappen waren gedaan en ik mijn moeder het wisselgeld had gegeven, kreeg ik toestemming naar buiten te gaan. Er werd wel bij gezegd dat ik het hart niet in mijn lijf moest halen met vuile kleren thuis te komen, want dan zou ik een week lang niet buiten mogen spelen. Buiten gekomen liepen we vanaf de Tuinderstraat naar de Aert van Nesstraat, waar een paar meisjes aan het diabolen waren. Dit gebeurde met behulp van twee stokjes waartussen een touw was gespannen. Een kegelvormig rubber werd op dat touw gelegd en door die kegel over dat touw te laten glijden kreeg deze vaart, waarna hij in de lucht werd gegooid en weer opgevangen op het touw. Het was een grote kunst om dat voor elkaar te krijgen. Ik heb het ook eens geprobeerd, maar het lukte mij niet. Vooral meisjes waren erg handig in dit spel. We liepen de Aert van Nesstraat verder in en vlakbij de Nadorststraat lag een pakje met kaartjes die uitgeknipt waren uit sigarettendoosjes. Ze waren bijeengebonden met een elastiekje. Kennelijk had iemand dat verloren. Wij besloten ermee te gaan spelen. Nadat de kaartjes waren geschud, kreeg ieder een paar kaarten. Om en om moesten we dan een kaart omdraaien en bovenop een stapelleggen. Degene die eenzelfde plaatje legde als bovenop de stapel lag, mocht de hele stapel hebben. De plaatjes waren van verschillende merken, zoals Pirate, Player, Triumf en Chief-Whip. Nadat we zo een tijdje hadden gekaart, gingen we verder. In de Nadorststraat kwam een kleine jongen op een houten step, een zogenaamde autoped, aanrijden, die pardoes tegen de benen van één van de jongens reed, waardoor het jongetje met de step op straat viel.
Kinderen op straat in de Zevenhuissteeg.
Het kind werd door ons overeind geholpen en er werd tegen hem gezegd dat hij voorzichtig moest zijn met rijden op een autoped, want dat er zo een ongeluk mee kon gebeuren. Het kind ging de Chrispijnlaan in en wij liepen verder. Het gesprek ging over het rijden met een autoped en één van de jongens zei dat hij liever een vliegende Hollander had dan een autoped. Een dergelijk stuk speelgoed was een beetje aan de dure kant. In plaats van staan kon je erop zitten en je kon jezelf voortbewegen door middel van een soort hefboom. Sturen deed je met je voeten. Eigenlijk wel een gekke naam voor een voertuig dat gewoon op de grond bleef, maar die naam bestond nu eenmaal. Al verder lopend kwamen we bij een drietal jongens die op stelten bezig waren. Ze waren heel goed. Het was alsof ze voor een circus aan het oefenen waren. Erg lang bleven we daar niet staan. Bij de Schiedamsesingel gekomen pakte een jongen een steentje van de grond en scheerde dat steentje over het water. Dat was eigenlijk wel gevaarlijk, want één van ons vertelde dat hij dat ook wel eens op de Westersingel had gedaan en dat dat steentje tegen het hoofd van een man terecht was gekomen. Die bloedde toen flink uit een hoofdwond. Later op de dag besloten we een partijtje te gaan voetballen. Dit deden we met een papieren bal van oude kranten die bij elkaar werd gebonden met een touwtje en elastiekjes. Om twee partijen te krijgen werd er 'gepoot', dat wil zeggen dat twee jongens, de aanvoerders, tegenover elkaar gingen staan. Om. de beurt zette deze jongens een voet voor de andere voet. Zo naderde men elkaar en degene die het laatst een voet in het midden zette, mocht beginnen met kiezen van zijn spelers. Zo werd om en om een speler gekozen tot alle jongens die mee wilden doen gekozen waren.
Doelen werden gemaakt door wat kledingstukken op elkaar te leggen. Daarna werd met de wedstrijd begonnen. We speelden net zo lang tot de bal aan flarden was geschoten. Toen dat het geval was gingen we moe naar huis, waar bij de meesten wat te wachten stond. Want de schoenen hadden natuurlijk weer heel wat te lijden gehad en deze moesten weer teruggebracht worden in een draagbare staat. Omdat ik mijn schoenen extra vuil had gemaakt, moest ik voor straf alle schoenen van de familie poetsen. Ik was al blij dat ik er met die straf afkwam en de volgende dag weer gewoon buiten mocht spelen. Voor ons huis stond een lantaarnpaal. Toen ik die volgende dag buitenkwam waren er een paar meisjes bezig een touw over de armen van die lantaarnpaal te gooien. Dit lukte niet. Ik ben toen in die paal geklommen en heb dat touw om die armen gelegd. De uiteinden van het touw werden beneden aan elkaar gebonden en de meisjes gingen daarop zitten en lieten zich dan rond de paal draaien. In een andere straat zag ik even later een paar meisjes, die aan het touwtje springen waren. Bij dat springen zongen ze: "In, spin, de bocht gaat in. Uit, spuit, de bocht gaat uit". Bij het woord 'in' sprong er een meisje in het draaiende touwen bij het woord 'uit' er weer uit. Zo wisselden zij elkaar af. Ik ging een vriendje halen en die kwam naar buiten met in zijn hand een tollenstok en een tol. We besloten een wedstrijd te houden wie de tol het verst weg kon slaan. In de Nadorststraat, die geasfalteerd was, werd op de straat een kring met krijt getekend. De tol werd in die kring aan het draaien gebracht en een jongen sloeg zo hard hij kon met het touw aan het stokje tegen de tol, die dan wegslingerde. Dit deden we om de beurt en wie de tol het verst wegsloeg, was de winnaar. Het gevaar was wel dat je met de tol mensen of voorwerpen kon raken. Nadat we van dit spelletje genoeg hadden gekregen, liepen we verder. We bleven even staan kijken bij een paar straatmuzikanten, die in de Chrispijnlaan vrolijke klanken uit hun instrumenten haalden. Een paar meisjes waren aan het dansen, maar de jongens vonden dat aanstellerig en deden daaraan niet mee. Verder lopend, zagen ze een aantal jongens die een hoepelwedstrijd hield. Ze maakten hierbij gebruik van oude fietswielen, waar de spaken waren uitgehaald.
De hoepels werden voortbewogen door een stokje tegen de wielen te houden. Wie het langst de hoepel overeind kon houden, was winnaar. We besloten te gaan "goal-kicken". We moesten dan wel een bal hebben. Er kwam een tennisbal uit één van de zakken. Eén jongen ging voor een garagedeur staan en de anderen moesten dan proberen de bal tegen de deur te schoppen. De jongen voor de deur moest natuurlijk dienst doen als keeper en proberen de bal tegen te houden. Als de deur drie keer was geraakt, werd de keeper afgelost en die ging dan ook schoppen. Intussen was het weer tijd geworden naar huis te gaan, want ook de inwendige mens moest worden versterkt. N a het eten mocht er weer buiten gespeeld worden. Eerst gingen ze "buut" spelen. Eén van de jongens moest met zijn hoofd tegen een lantaarnplaat gaan staan en zijn ogen met de handen bedekken. Hij moest dan tot tien tellen. Vervolgens riep hij: "Wie niet weg is, wordt gezien". De andere jongens hadden zich intussen op allerlei plaatsen ver. stopt en de tellende jongen moest hen opzoeken. Zag hij er één, dan holde hij naar de lantaarnpaal, tikte deze aan en riep de naam van de gevonden jongen. Die moest dan bij de paal gaan staan en deze vast houden. De volgende gevonden jongen gaf de aan de paal staande jongen weer een hand en zo werd een soort ketting gevormd. Als één van de verstopte jongens echter kans zag de paal eerder aan te tikken dan de zoeker, dan waren alle reeds gevonden jongens vrij en begon het spel opnieuw. Zo'n spel kon dus behoorlijk lang duren. Daarom was het ook zo wat bedtijd toen het was afgelopen. De volgende morgen toen ik buitenkwam vroeg een vriendje of ik meedeed met kogelstoten. We waren in het bezit van grote, stenen knikkers. Eén van die kogels werd een eindje weggeworpen en de andere jongen moest dan proberen die kogel met zijn eigen kogel te raken. Zo trokken we enkele straten door, steeds maar weer met die kogel gooiend.
Steppen op straat
Je moest alleen oppassen dat de kogel niet in een put terecht kwam, want dan was je hem kwijt. Onderweg zagen we een paar meisjes die aan het bikkelen waren. Dat gebeurde met botjes van dieren. Die hadden een platte en een bolle kant. Een aantal van die bikkels werd opgegooid en viel dan op de straat. De bikkels die met de platte kant op de straat lagen waren voor het ene meisje en die met de bolle kant voor het andere. We waren intussen al kogelstotend weer in de Tuinderstraat terechtgekomen, waar we andere jongens ontmoetten. We besloten toen "bussie trap" te gaan spelen. Eerst werd er afgeteld wie er "buut" moest zijn. Daarna werd een groenteblik midden op de straat op bijvoorbeeld een putdeksel gezet. Het blikje werd weggeschopt en de buut moest het blikje gaan halen en achteruitlopend weer op zijn plaats zetten. Vervolgens moest hij de anderen gaan zoeken, die zich verstopt hadden. Als hij iemand vond, holde hij naar het busje, tikte daarmee drie keer op de straat en riep de naam van de jongen die hij had gezien. Het spel geleek veel op "buut" spelen, want als iemand kans zag het busje weg te schoppen zonder dat hij gezien was, mocht iedereen weer meedoen. Intussen was een eind verder in de straat een groep meisjes bezig met een kringspelletje, zakdoek leggen. De meisjes stonden in een kring en een meisje liep daar omheen met een zakdoek in haar hand. Het liedje dat zij daarbij zongen was: "Zakdoek leggen. Niemand zeggen. Kukeleku zei onze haan. Een paar schoenen heb ik aan. Eén van stof en één van leer, hier leg ik mijn zakdoek neer. Alle ogen zijn gesloten. Wie er omkijkt krijgt hem niet."

Aan het eind van het lied werd de zakdoek neergelegd op het hoofd van een meisje, die dan achter het meisje dat had rondgelopen moest hollen en haar tikken. Als het eerste meisje aangekomen was op de plaats waar het aangetikte meisje had gestaan, ging zij op die plaats staan en ging het aangetikte meisje rond de kring lopen. Een poosje later gingen die meisjes weer een ander spel spelen, namelijk "Drie is te veel". De meisjes gingen dan twee aan twee achter elkaar staan. Een overgebleven meisje liep rond die kring en een ander meisje liep achter haar aan om te proberen haar te tikken. Het voorste meisje ging dan voor een groepje van twee staan en het achterste meisje daarvan moest dan rond de kring gaan lopen. Werd een meisje aangetikt dan moest zij proberen de ander te tikken. Dit was een spel dat heel lang kon duren en jongens hadden nooit veel zin daarin. De jongens gingen na het "bussie-trap" liever knikkeren. In de straat was altijd wel ergens een knikkerputje te vinden. Er waren verschillende soorten knikkers. Van klei en van glas en met verschillende kleuren. Allemaal hadden ze een andere waarde. De knikkers werden op een rij gelegd en om de beurt mocht men "pieken", dat wil zeggen met een bepaalde vingerbeweging proberen een knikker in de pot te krijgen. Lukte dit, dan probeerde men de volgende knikker. Lukte het niet, dan was de volgende aan de beurt. Degene die de laatste knikker in de punt piekte, was de winnaar van de pot.

De meisjes waren intussen bezig met het spel "schipper mag ik overvaren". Op de stoep stonden een aantal meisjes en één stond er midden op straat met de rug naar de anderen toe. De op de stoep staande meisjes zongen: "Schipper mag ik overvaren, ja of nee. Hoef ik dan geen geld betalen, ja of nee. Hoe?" Het in het midden staande meisje riep dan bijvoorbeeld dat ze op één been moesten springen. Dat deden de meisjes dan en het meisje op de rijbaan draaide zich dan snel om. Als zij zag dat er een meisje in beweging was, dan moest die in het midden gaan staan en voor schipper spelen.

Een andere groep meisjes deed een springspelletje. Er werd een vierkant met krijt op de straat getekend. Daarin weer andere vierkanten. Die laatste werden genummerd. Men gooide een steentje en dat moest de eerste keer in vak 1 gegooid worden. Dan moest men op één been naar vakje twee springen en dan verder naar het hoogste vak. Daar draaide men om en ging op dezelfde manier terug. Daarbij mocht men met de voet niet de streep raken tussen de vakken. In vakje 2 gekomen moest men op één been staande het steentje oprapen en men mocht niet met de andere voet de straat raken. Als dit gelukt was, kon men verder springen. Hierna moest men het steentje in vak 2 gooien en begon men weer opnieuw. Net zo lang tot men af was als men de streep raakte of een voet op de grond zette. Door vorenstaande spelen en nog vele andere kon je de vakantie wel doorkomen. Dat moest ook wel, want met vakantie gaan was maar voor weinig kinderen weggelegd. Ook was het toen nog mogelijk die spelen op straat te beoefenen, want er was.nog haast geen verkeer. Voor de enkele auto, paard-en-wagen of bakfiets werd het spel wel even onderbroken. Werkelijk, ons amuseren deden we als kinderen wel, alleen op een heel andere manier dan tegenwoordig.

Rotterdam toen en nu