Geschiedenis van de Bijenkorf......
De gestileerde bloem van Naum Gabo, 1957

Naum Gabo, 1956

Het beeld dat in mei 1957 voor het toen nieuwe warenhuis De Bijenkorf te Rotterdam werd opgericht, is een bijzondere creatie in staal. De N.V. Constructiewerkplaats en Machinefabriek Hollandia te Krimpen a/d IJssel (toen ook wel Hollandia Staalbouw N.V. genoemd) was de bouwer van het gevaarte. Ze hebben er de handen vol aan gehad. We raadplegen eerst het Algemeen Dagblad van 9 mei 1957:

Toen gistermorgen in het ontwakende Rotterdam de eerste trams begonnen te rijden, liepen de Russisch-Amerikaanse beeldhouwer Naum Gabo en G. van der Wal, de Directeur van De Bijenkorf, dodelijk vermoeid na drie doorwaakte nachten, nog één keer de Coolsingel op en neer. Arbeiders op weg naar hun werk keken vreemd op toen plotseling dat nerveus manneke met het verfrommeld hoedje op zijn grijze kop die veel stoerdere man omhelsde. Ze zullen het niet hebben begrepen, maar dit bij onze spreekwoordelijke nuchterheid slecht rijmende gebaar was de spontane uiting van een kunstenaar jegens zijn opdrachtgever. Een uiting van dankbaarheid nu - na maanden van schier ondraaglijke spanning - het eindelijk zover was dat hij zijn schepping in alle glorie kon vertonen.

Gestileerde bloem, 1957

Tien maanden hebben de mensen van Hollandia onder de bezielende leiding van Gabo geworsteld met ongekende problemen. Op zijn aanwijzingen hebben zij 40 ton staal verknipt, verbogen en gelast tot een plastiek die ondanks alle gewicht en afmeting de indruk wekt uiterst fragiel en broos te zijn.

Drie nachten achtereen zijn de aannemers van het moeilijke transport met hun mensen en materieel bezig geweest om het beeld op zijn bestemming te brengen, het daar overeind te zetten en op zijn fundament te plaatsen. Alle nachten was er veel publieke belangstelling voor dit moeizame karwei, maar geen nacht zoveel als de laatste. De Directie van het warenhuis maakte een gul gebaar en liet in het holst van de nacht alle toeschouwers met warme koffie laven.

Rotterdammers zijn sterk in het geven van (bij) namen. De gestileerde bloem staat ter plaatse beter bekend als "het ding", "de verlostang" of ook wel "de banaan".

Staat voor de Bijenkorf

Wat is dit eigenlijk voor een ding?

Het Rotterdams Nieuwsblad ging al eerder, op 25 augustus 1956 om precies te zijn, bij Hollandia op onderzoek uit, om eens te zien hoe het met het ding vorderde. Naar aanleiding daarvan werd geschreven:

Stellig zal het grote publiek er moeite mee hebben, aan deze warenhuis-plastiek een bepaalde voorstelling te verbinden. Gabo is echter wel degelijk van een natuurlijk gegeven uitgegaan: een bloem, waaruit de Bij haar honing put. Deze gedachte heeft hij verder uitgewerkt tot een ontwerp, waarbij de stylering van het gegeven abstracte tendenties vertoont. Met enige goede wil zal men in Gabo's schepping toch de vormen en delen van een bloem wel kunnen herkennen.

Het valt niet mee het werk te beschrijven. Het Bouwcentrum waagde desalniettemin in 1970 een poging tot beschrijving. Het kunstwerk, zo schreef men, is 26,2 meter hoog en de maximale breedtematen zijn 4,8 meter en 5,2 meter. Het werk bestaat uit vier stalen hoofdribben en vier stalen binnenribben, alle met vierkante doorsnede, die een kleinere "inner image" omsluiten. De hoofd- en binnenribben vormen vier schroefvlakken. Elk schroefvlak is begrensd door één hoofd- en één binnenrib. Deze zijn in het vlak gekoppeld met horizontale ronde staven. Het schroefvlak zelf is verder door gaas aangeduid. De hoofd- en binnenribben zijn over hun gehele lengte met het schroefvlak mee getordeerd. Aan onder- en bovenzijde zijn de ribben gekoppeld met staven van vierkante doorsnede. De hoofdconstructie is gemetalliseerd met aluminiumbrons, gepolijst en blank gelakt. De "inner image" is opgebouwd uit stalen kokerprofielen, staalplaat en veren van roestvast staal. De veren zijn zodanig tussen de profielen gespannen dat vlakken worden gevormd waarvan die in het hart een sterk gebogen zadelvorm hebben. De "inner image" is aan de top met uithouders flexibel aan de hoofdconstructie bevestigd. De "inner image" is zwart, uitgezonderd de veren, die blank zijn.

"Inner image"

Wie weet helpen de toegevoegde foto's een beetje, om je een beeld te vormen van dit complex werkstuk. Ga anders maar even in Rotterdam kijken. Coolsingel, hartje stad, voor de Bijenkorf. Daar staat het. Nog steeds.

Maar wel goudkleurig in plaats van zilver, zoals eens ....

Hoe werd het ding gemaakt en opgericht?

Nu bekijken we eens de meer technische aspecten. De verantwoordelijke projectingenieur, G. Obma Vossnack van Hollandia, schreef er een mooi onderkoeld verhaal over in het Polytechnisch Tijdschrift (uitgave A) van 1957.

De kunstenaar stelde de fabrikant een tekening, een mal en een schaalmodel ter beschikking. De sterkte- en stabiliteitsberekening van de ongebruikelijke vorm veroorzaakte wel enige hoofdbrekens. Als adviseur werd J.W.K. Burky gevraagd, afkomstig van Gemeentewerken Rotterdam. Deze free-lancete na zijn pensionering voor verschillende constructiewerkplaatsen. Het moet een aardige afwisseling geweest zijn voor deze vermaarde lasspecialist. Bij het Instituut voor Bouwmaterialen en Bouwconstructies (T.N.O.-I.B.B.C.) werd spanningsonderzoek gedaan en bij het laboratorium van het N.L.R. te Amsterdam werd Gabo's schaalmodel onderworpen aan een windtunnelonderzoek. Met de resultaten hiervan kon de constructieve berekening worden uitgevoerd. Ook het fluttergedrag van het bouwsel werd trouwens nog beproefd.

Fabrikagetechnisch gesproken boden vooral de gebogen/getordeerde ribben een probleem. Elke hoofdrib verloopt van vierkant 34 cm tot vierkant 17 cm; een binnenrib is over de hele lengte vierkant 15 cm. Elke rib is over de lengte 90° getordeerd. Bovendien beschrijft de hartlijn van een rib een ruimtekromme.

De ribben werden opgebouwd uit een in de juiste kromme vorm gebogen ronde buis, waarop op regelmatige afstanden vierkante schotjes werden gelast. Stroken 5 mm staalplaat, circa 3 meter lang, werden als huid op de schotjes gelast. Drie zijden waren daarbij vrij toegankelijk voor het lassen, de vierde zijde moest met gatlassen worden vastgezet. Daarna werden de aansluitingen van de vier zijden op elkaar over de volle lengte afgelast. Het geheel moest scherpkantig zijn en dus kon er heel wat slijpwerk worden verricht eer de vorm exact aan de wensen van de kunstenaar voldeed.

Tijdens de bouw in de werkplaats van Hollandia, omstreeks 1956

Het transport en de plaatsing van het kunstwerk kenden enkele spannende momenten. Het eerste deel van het traject, Krimpen a/d IJssel - Leuvehaven, werd varend afgelegd. Het ding was bij de fabriek met een bok op een dekschuit getild. In de Leuvehaven werd het met een andere bok op een tweetal draaischamelstellen geplaatst, waarna het geheel met een truck naar de Coolsingel werd getrokken. De constructie bleek erg slap, maar ernstige plastische vervormingen hebben zich bij het transport niet voorgedaan. Wel bezweek een van de 20-tons schamelstellen, waardoor een vertraging van 24 uur werd opgelopen. In de tweede nacht ging alles naar wens. De firma NV v/h Willem van Twist uit Dordrecht was verantwoordelijk voor het vervoer. Voor noodgevallen werd de grote 26-tons mobiele kraan van dat bedrijf achter de hand gehouden - de grootste die ze toentertijd hadden.

In de derde nacht werd het geheel dan overeind gezet. Hiervoor werd het beeld bij de top rechtstandig gelicht. De voet rustte op stalen sleden, die tijdens het hijsen geleidelijk naar de kraan toe werden geschoven. De beweging van de sleden werd met vaste lieren gecontroleerd. Bij nog 8° uit de verticaal zou het geheel over de sleden kunnen kantelen. Tuidraden aan de top moesten dóórkantelen voorkomen. Nu, dat verliep prachtig. Een griezeliger moment deed zich voor, toen de grond onder één van de sleden onvoldoende bleek te dragen en het hele zaakje scheef wegzakte. Ingenieur Obma Vossnack schrijft erover:

.... met behulp van vijzels is een en ander gecorrigeerd.

Nuchtere taal. Eén der journalisten, aanwezig bij het karwei, bracht het wat anders onder woorden:

Eindelijk, het was halfzes, hing "het" bijna in zijn hoogste stand. En toen gebeurde het: een van de zware stalen sleden verzakte en de top maakte een angstige zwaai. STOP, zei Dirrek, de ploegbaas. Men trok zich terug in beraad, becijferde, rekende, bezag met kritisch oog wat theorie en praktijk in zulke akkevietjes voorschreven. Er werd weer wat gebrand en gelast, de tuien werden iets anders gespannen, de kraan manoeuvreerde met millimetertjes opnieuw met het topje en Dirrek blies voor de zoveelste maal op z'n fluitje. Kwart voor negen was het, toen "het" keurig netjes op de acht armdikke draadeinden in het voetstuk zakte. Waarna men verder ging om "het" gereed te maken voor de grote dag, waarop de onthulling zal plaatsvinden. Dirrek zal er ongetwijfeld weer bij aanwezig zijn.
--------------------

Onverhoopte problemen op termijn

De sculptuur van Gabo bleek tamelijk gevoelig voor roest te zijn. Toch had men bij Hollandia z'n best gedaan om problemen te voorkomen:

Wijlen mijn vader was betrokken bij de plaatsing van het beeld. Op het laatste moment, echt de allerlaatste dag, zo vertelde mijn vader mij vroeger, bedachten we dat de zware stalen voet wel eens zou kunnen gaan roesten. We besloten er menie in te gieten. Maar we hadden er zoveel van nodig, dat we op een tankauto van dat spul moesten wachten. In de avond kwam die wagen eindelijk aanrijden. Er werd een slang aangesloten op de sokkel. En toen maar pompen. Na een kwartiertje klonk er plotseling gegil uit de Bijenkorfkelder. De menie liep langs de elektriciteitsbuizen de kelder in, spoot en drupte op kleding, vooral bontjassen, die daar op lange rekken gereed hingen om in de splinternieuwe winkel geplaatst te worden. Een ramp.

Ondanks de conserveringspogingen begon enige tijd na de plaatsing Gabo's blanke bloem te roesten. Niet aan de voet, maar op de ribben. Het bleek dat de lange hoeklassen poreus waren. Waarschijnlijk was dit het gevolg van het uitgebreide slijpwerk dat er - op instigatie van de kunstenaar - aan was verricht. Mogelijk ook waren bij het transport en de opstelling scheurtjes ontstaan in de lasnaden door de zeker niet geringe doorbuigingen van de hoofdribben. Hoe het ook zij, de gesloten kokers "ademden". Er werd onderin flink wat condenswater aangetroffen.

Roest op een kunstwerk dat ƒ 305.000 had gekost in de uitvoering, driehonderd en vijf duizend harde guldens van vóór de grote inflatiegolf - neen, dat kon natuurlijk niet. In 1960 werden dus alle lasnaden van de ribben - circa 900 meter - ter plaatse volledig uitgeslepen en opnieuw gelast.

Er werd voor dit werk een grote schutting om het werk gezet. Tijdens het werk sloeg op een gegeven moment de vlam in de pan. Twee zuurstofflessen explodeerden (waarschijnlijk door slijpvonken) en de schutting raakte in brand. Het was een hartnekkige brand die moeilijk te blussen bleek. Er ontstond hierdoor grote schade aan de Bijenkorf-gevel en aan het kunstwerk. Het herstel vergde bijna anderhalf jaar. Het corrosieprobleem is na deze reparatie gelukkig geheel onder controle. Sedertdien hebben de ribben overigens een goudkleur in plaats van zoals oorspronkelijk een zilverkleur.

Rotterdam toen en nu