Koninklijke Rotterdamse Lloyd....
De werkzaamheden der Civiele Dienst van de Koninklijke Rotterdamse Lloyd (begin jaren 1950)

Het vlaggeschip van de Koninklijke Rotterdamse Lloyd, de "Willem Ruys", op volle snelheid (21 mijl per uur) in de Rode Zee

"Prachtig," lachte kapitein Scheepman. "En nu heb ik nog een verrassing voor jullie. Misschien hebben jullie wel eens gedacht: Wat heeft zo'n groot mailschip als de "Willem Ruys" bijvoorbeeld op een reis nodig aan eten en drinken voor de passagiers en de bemanning? Dat is zoiets als bij jullie thuis het huishouden van moeder maar dan natuurlijk heel erg in het groot. Niet twee broden, een half pond boter, twee flessen melk, een paar kilo aardappelen, een paar ons vlees en anderhalf pond groente. Op de "Willem Ruys" heeft de "huisvrouw" die daar restaurateur heet en natuurlijk een man is, nog heel wat meer zorgen aan zijn hoofd dan moeder thuis. Want om te beginnen laat de rederij zijn passagiers aan boord veel uitgebreider eten en in de tweede plaats hebben hij en zijn helpers, de hofmeesters en de Indonesische bedienden, maar eventjes voor ongeveer duizend passagiers en vijfhonderd man bemanning te zorgen. Dat is dus bij elkaar voor vijftien honderd man. Die moeten per dag driemaal te eten hebben. Die dienst noemt men aan boord de Civiele Dienst en daarvan kan ik jullie wat laten zien."

"Gaan we dan ook aan boord" vroeg Kees enthousiast.

"Eerst naar de Lloyd en dan aan boord van de "Willem Ruys". Kijk eens, zo zit dat in elkaar. De Chef van de Civiele Dienst van de rederij is een vriend van me, die vandaag hier even op bezoek is geweest. Toen we zo zaten te praten, kwam ik ineens op het idee: Laat ik mijn leerlingen-in-de-lijnvaart - want zo noem ik jullie maar - nu eens in de praktijk laten zien wat alleen al de verzorging van passagiers in de lijnvaart voor rompslomp met zich meebrengt. Over twee dagen vertrekt de "Willem Ruys" weer naar Indonesië. Deze keer gaat het schip pas 's avonds om 6 uur van Rotterdam en het is dan omstreeks half acht bij Hoek van Holland. Ik dacht, als we nu eens 's morgens al naar Rotterdam gaan om de voorbereidingen voor de verzorging van de passagiers aan de wal te bekijken, dan in de loop van de middag aan boord gaan, daar de zaken eens bekijken en dan mee dineren en meevaren naar Hoek van Holland. Dan stappen we hier bij de Berghaven over op een sleepboot en zijn we thuis, terwijl de "Willem Ruys" verder vaart, de grote reis op."

"Kan dat," vroeg Klaas ongelovig.

"Nou," zei kapitein Scheepman. "Die vriend van me zei: Nou, kom dan maar. En breng ze mee. Laat ik ook eens aardig doen. Ik zal ze rondleiden en als jij het voor elkaar kunt brengen dat jullie in Hoek van Holland van boord worden gehaald, zal ik de kapitein wel overhalen even langzamer bij de Berghaven te varen om jullie van boord te laten gaan."

"Hoera," riepen ze allen tegelijk in dolle vreugde uit. "Leve de "Willem Ruys" leve ...."

"Ja, ja, het is al goed," lachte kapitein Scheepman. "Zorg maar dat jullie ouders het goed vinden en dan overmorgen om 9 uur op het station. Geen minuut later. Begrepen?"

"Begrepen, kapitein," juichten ze.

"En dan nu afgemarcheerd, naar huis! En naar kooi!"

Gasten van de Lloyd

Die zonnige morgen in Augustus, voor het eerst na een week weer eens zonnig, kwamen ze met kapitein Scheepman op de Lloydkade in Rotterdam aan. Ze gingen een groot gebouw binnen en de kapitein bracht hen naar een ruime kamer, waar achter een groot bureau een meneer zat te werken tussen stapels papieren.

"Hier breng ik de gasten voor vandaag," zei de kapitein en de meneer aan het bureau draaide zich op zijn stoel om.

"Ik moet zeggen dat het ongelegen komt," zei hij, toch niet onvriendelijk. "Of ik vandaag niets anders te doen heb dan jongens te laten zien wat er nodig is om de mensen aan boord van de "Willem Ruys" niet te laten verhongeren. Maar ik heb het beloofd en een ander zal mijn werk overnemen. Ik ga met jullie mee."

Kapitein Scheepman noemde de namen van zijn drie vriendjes, ze gaven de Chef van de Civiele Dienst een hand en die zei: "Eerst een kop van de beroemde scheepskoffie en dan beginnen we de rondwandeling. Kunnen jullie een paar uur lopen?"

"En of," zeiden ze alle drie.

"Goed, dat hebben jullie nodig. Want nu jullie toch hier bent, zullen jullie ook alles goed zien. En als je wat onthouden wil van wat ik vertel, mag je wel een paar aantekeningen maken. Want ik begraaf jullie onder de cijfers."

Ze liepen het terrein over en gingen een ander gebouw binnen.

De social hall op de "Willem Ruys", de ruimte waar de passagiers van de eerste klas bijeenkomen

"We gaan naar de magazijnen," zei hun begeleider. "Dat is zoiets als de provisiekast bij jullie moeder thuis. Maar natuurlijk een klein beetje groter. Want de Lloyd is evengoed een huismoeder als jullie eigen moeder. Die moet ook vlees en aardappelen en meel inkopen maar ook wijn, borstels en emmers. Natuurlijk ook borden en koppen en schotels en nog zoveel meer. Breekt er bij jullie thuis wel eens wat?"

"Verleden week nog een bord," zei Kees. "En moeder was er niet erg over te spreken."

Hun begeleider lachte. "Bij ons breekt er ook wel eens wat. Ik zal jullie het laten horen van de magazijnmeester, die een week geleden, toen de "Willem Ruys" binnenkwam, de lijsten van boord kreeg, hoeveel borden, koppen, schotels, glazen enz. hij aan boord moest laten brengen, omdat er op de reis natuurlijk wat was gebroken."

Ze kwamen in het magazijn. Er stonden stapels emmers, blinkend van nieuwheid, kisten met glaswerk, borden en nog zoveel meer. Een man in een stofjas, zat lijsten na te kijken.

"Jan," zei de Chef van de Civiele Dienst, "wat heb je gisteren aan boord laten brengen als aanvulling van wat er gebroken was?"

De man keek even, ernstig en zei: "Het viel deze reis wel mee, meneer. Zeker voorzichtig met de bullen omgesprongen en weinig slecht weer geweest. Er waren op de reis van twee maanden gebroken 1448 bierglazen, 500 bitterglazen en ruim 2000 dek-drinkglazen. Dat was het glaswerk. Ik moest 651 platte borden, 438 diepe borden, 831 gebaksbordjes, 767 koffiekoppen en 1100 mocca-kopjes aan boord laten brengen."

"Waren die ook gebroken, meneer," vroeg Klaas ongelovig.

"Ja, jongeman. En dat was heus niet veel. Met slecht weer valt er nogal eens wat kapot en de spoelmachines zijn hardhandiger dan de handen van je moeder als die de vaat wast. Je kunt aannemen dat binnen een jaar het hele servies van de "Willem Ruys" is gesneuveld. Per reis twintig percent breuk. Een vijfde van de hele voorraad kapot."

"Ziezo, dat weten ze al vast," zei de Chef, lachend. "Kijk die ongelovige gezichten eens. 't Is heus waar hoor, jongens. Zoveel wordt er op de reis gebroken. En er wordt heus niet onvoorzichtig mee omgesprongen. Maar we gaan verder."

Ze kwamen in een andere ruimte en de Chef vertelde: "We hebben hier te maken met niet minder dan 254 verschillende artikelen, van vorken en lepels af, tot pingpong-balletjes en schaakborden toe. Op zee heb je nu eenmaal geen winkels en dus moet je alles wat je nodig hebt meenemen. Gisteren heb ik nog even gecontroleerd of alles aan boord was .... 9800 lepels, ruim 13000 glazen, 9000 borden en 130 soorten pannen. Van het linnengoed (slopen, lakens enz.) 125 duizend stuks. Dat is wat anders dan de zes of tien lakens bij jullie thuis, hè? Nou en dan moesten er 600 blikjes schoensmeer aan boord worden gebracht. En vergeet ze niet want dan zouden de passagiers met ongepoetste schoenen rondlopen. Ik ben ook nagegaan of die veertig kilometer beddentijk aan boord waren gebracht en die 15 duizend vierkante meter deken."

"Ook closetrollen voor de W.C.'s?" vroeg Klaas met een ondeugende tinteling in zijn ogen.

"Ook die, jongeman," gaf de Chef ten antwoord. "Weet je hoeveel kilometer van dat speciale papier we voor een reis meenemen? Ik zal het maar zeggen want je raadt het toch niet .... 210 kilometer. Van Rotterdam naar Groningen. En nu gaan we eens naar de eterij kijken."

De grote voorraad vlees, voldoende voor uit- en thuisreis, wordt aan boord van de "Willem Ruys" gehesen

Zij kwamen weer in een andere ruimte. Daar waren de vriescellen waar duizenden kilo's vlees in een ijzige koude waren opgeslagen. Daar stonden de dozen met blikken geconserveerde levensmiddelen, zo'n kleine honderdduizend. Kreeft uit Frankrijk, ganzenleverpastij uit Hongarije, duizenden flessen wijn uit Frankrijk. In een andere afdeling zagen zij een enorme hoeveelheid flessen. Allemaal leeg. Die waren van het schip gekomen en dus in twee maanden leeggedronken. Zestigduizend lege flessen. "Die komen aan de wal en worden zorgvuldig geteld," zei de Chef. "Want weten jullie hoeveel die lege flessen alleen al waard zijn? .... Zesduizend gulden. En zoiets gooien we niet zo maar overboord." Toen ze weer boven kwamen, zagen zij een magazijn vol dozen gebakrandjes van papier. Die komen uit Zweden. En kisten vol glaswerk uit België. Een jongen was nog bezig tweeduizend pingpong-balletjes in te pakken. Die moesten nog vlug aan boord worden gebracht.

Een hoekje van de vrieskamers van de "Willem Ruys". Hier hangen in een lange rij de "voeten" rundvlees

Ze zagen nog meer .... grote stapels emmers, bossen bezems, honderden pannenlappen, schuurpoeder en al die dingen die ze bij moeder in de keuken ook wel zagen. Maar hier waren het honderden en soms duizenden stuks. Allemaal nodig voor de "Willem Ruys".

"Maar ook voor de andere schepen," zei de Chef. "Want als de "Willem Ruys" vandaag weg is, moeten we, voor de andere schepen gaan zorgen. Daar leven ook mensen aan boord en die mag het ook aan niets ontbreken. En nu gaan jullie met kapitein Scheepman aan boord. De restaurateur zal jullie daar laten zien hoe alles aan boord is opgeborgen. Daar zien jullie dus de drijvende provisiekast. En die is wel zo interessant, wat u, kapitein?"

"Reken maar," zei die lachend. "Ik neem de jongens mee en welbedankt voor de huishoudles."

Tien minuten later stonden ze in de grote ontvanghal van het schip en ze keken zich de ogen uit. Door een brede gang gingen ze naar een trappenhuis en even later zaten ze in de eerste klas rooksalon. Een Indonesische bediende bracht hen weer koffie en vlak daarop kwam de restaurateur.

"Zijn dat mijn drie extra passagiers voor Hoek van Holland, kapitein," lachte hij.

"Klaas van Dam, Kees Blom en Piet Visser," stelde kapitein Scheepman het trio voor en Kees was de eerste die weer wat zeggen kon.

"Is het waar, meneer," vroeg hij, "dat u duizend passagiers en 500 man bemanning van al het nodige moet voorzien?"

"Precies geteld," lachte de restaurateur. "Maar gelukkig ik niet alleen. Van de 500 man bemanning behoren er ruim 400 tot het civiele personeel en hieronder zijn zo'n 230 Indonesische bedienden. Ik heb dus wel wat hulp. Maar laten we als jullie je koffie op hebben, meteen maar een rondgang maken."

Vijf minuten later liepen zij diep beneden in het schip door de magazijnen en de vrieskamers. Overal zagen zij grote voorraden levensmiddelen opgetast liggen. De vrieskamers waren vol vlees en groenten.

"Hoeveel er hier nu voor de hele reis, uit en thuis, ligt opgeslagen, zullen jullie vragen," begon de restaurateur. "Ik haal er het magazijnboek bij. Dan weten we het precies. Zeg jij het maar, Kees. Wat wil je weten?"

"Hoeveel vlees, meneer," zei Kees dapper.

"Twintigduizend kilo rundvlees."

"Hoeveel kippen," vroeg Kees weer.

"Twaalfhonderd," las de restaurateur uit het boek. "En hier liggen ze." Hij deed een deur open en ze zagen de braadkippen keurig schoongemaakt en geplukt op de planken liggen. Een ijzige vrieskou kwam hen tegemoet. "In die kou blijven ze maanden goed. Dat begrijpen jullie wel. En om nog maar even een paar cijfers te noemen .... er gaan ook mee 1500 haringfilets en 5000 rolmopsen, veel diepgevroren groenten en groenten in blik. Alleen al 1200 ingeblikte bloemkolen, 1600 blikken van vijf kilo elk tomatenpuree, 8000 kilo appelen en komkommers in blik en 13000 blikken compote, 7000 kilo rijst en 9000 kilo boter, 2000 kilo kaas en 7000 kilo suiker. Je moeder gebruikt misschien een kilo suiker in de week. Jullie zouden dus met dit voorraadje voor één reis zo'n kleine zeventien jaar kunnen doen. Maar we hebben ook nog veel vis aan boord .... veel heilbot, zalm en forel. We zetten een kopje koffie onder de reis van 2000 kilo koffie en van 80000 theeballetjes zetten we thee. We hebben in die twee maanden 45000 blikken melk nodig en 1000 kilo melkpoeder wat evenveel is als 8000 blikken melk. We kunnen 90000 borreltjes schenken en als jullie van limonadegazeuse houden .... we hebben 16000 flessen aan boord."

"En gaat dat allemaal op," vroeg Klaas, ongelovig.

"Bijna wel," zei de restaurateur. "We nemen natuurlijk iets meer mee dan we nodig denken te hebben. Jullie roken natuurlijk niet .... maar er zijn anderhalf millioen sigaretten en 30000 sigaren aan boord. Duizelt het jullie?"

"Een beetje wel," knikten ze.

De wijnkelder aan boord van de "Willem Ruys". Duizenden flessen wijn zijn hier opgeslagen. De Chef-Hofmeester zoekt enkele merken uit

"Trek je er maar niets van aan, hoor. Wij zullen wel zorgen dat alles opkomt en dat het de passagiers aan niets ontbreekt." Er klonk in de verte de klank van een soort xylofoon. "Dat is het sein voor het diner," zei de restaurateur. "Gaan jullie maar mee naar de eerste klas eetzaal. Daar is voor jullie en de kapitein een aparte tafel gereserveerd en dan kunnen jullie eens proeven of onze koks in de kombuis - jullie zeggen natuurlijk keuken - weten wat eten koken is."

Ze zaten weldra in de grote eetzaal. Rond hen hadden enkele honderden passagiers hun plaats reeds ingenomen. Op het podium speelde een strijkje. Een hofmeester kwam naar hun tafeltje en wees ieder de menu-kaart. Ze keken kapitein Scheepman hulpeloos aan en die barstte in lachen uit. "Kunnen jullie niet vooruit," vroeg hij. "Kijk nou maar op de kaart. Dan weet je wat je kunt eten."

En toen ze nog even beteuterd bleven zitten, zei hij goedig: "Kom hier even om me heen staan, dan zullen we eens een fijnemans etentje uitzoeken. Want je mag hier uitzoeken. Kijk, hier staan de soepen. Je kunt kiezen uit drie soepen .... Consommé Royal of een Potage Pierre Ie Grand."

"Weet ik nog veel," zei Kees, die het eerst zijn onbevangenheid had teruggevonden.

"Laat ik maar bestellen Consommé Royal," zei de kapitein. "Dat is een heerlijk soepje. En dan wat Hors d'Oeuvre vooraf."

"Van die lekkere hapjes," vroeg Klaas.

"Juist, jij hebt het door," lachte de kapitein. "Weet je wel .... een stukje gerookte paling op toast en wat ganzenleverpastei .... "

"De heren moeten het nu zelf maar bestellen," zei de hofmeester met een knipoogje naar de kapitein. "Ik zal de djongos zenden."

"De djongos," vroegen ze. "Wat is dat nou weer?"

"Zo noemen we de Indonesische bediende hier aan boord."

Een kleine tengere Javaan, in smetteloos wit gekleed, naderde hun tafeltje. Hij zei wat in het Maleis dat ze niet verstonden. Ze keken vragend naar de kapitein. "Nou, zeg het maar, Klaas," moedigde hij aan.

"Ik spreek geen Indisch," deed Klaas bokkig.

"Maleis," verbeterde Kees hem.

"Ach vlieg-op jij," deed Klaas geraakt.

"He .... he .... geen ruzie hoor," suste de kapitein. "Jullie kunnen het allemaal heus wel zeggen, dat wil zeggen .... opschrijven Kijk, hier liggen blaadjes papier en hier ligt een potlood. Kijk nu maar op het menu. Elk gerecht heeft een nummer. Schrijf nu alleen maar het nummer op het papiertje en geef het aan de djongo. Die gaat ermee naar de kombuis en over een minuut heb je precies wat je wilt hebben. Consommé Royal .... dat is nummer drie. Allemaal een drie op jullie papiertje zetten en de djongos geven."

Ze deden het. Nog geen minuut later zaten ze voor een bord heerlijke soep. En toen dat op was, gingen ze verder zoeken op de menu-kaart. "Sole á la Meunière, is dat lekker?" vroeg Kees.

"Dat zou ik denken," zei de kapitein. "Dat is niks minder dan gebakken zeetong. Doen we het?"

"Vanzelf," juichten ze.

"Schrijf maar op het papiertje het nummer."

Zo ging het door. Van de vleesschotels zochten ze een Filet de Boeuf uit en daarna aten ze nog een stuk kip. Ze namen patates frites met koude salade, een Peche Melba als dessert omdat Kees zich herinnerde wat een toffe ijsco-met-wat-erop zoiets was. Zoals echte Fransen aten ze een stuk Camembert-kaas na met een sinaasappel en een kleintje mocca.

"Lusten jullie nog wat," vroeg kapitein Scheepman ontdeugend, toen hij naar hun rode hoofden keek. Ze schudden puffend van neen.

"Er is anders nog meer dan genoeg," fluisterde de hofmeester. "De heren eten werkelijk niet veel."

"Die ijsco ...." aarzelde Kees.

"Nog drie Peche Melba's," vroeg de hofmeester, met een knipoogje. "Die zullen er nog wel zijn."

Ze lepelden hun laatste Peche Melba op en toen vond kapitein Scheepman dat het wel genoeg was. "Anders krijg ik direct alleen maar buikpijnpatiënten mee als we van boord gaan," zei hij.

"Hoe vonden jullie het," vroeg de kapitein, toen ze een kwartier later aan dek in een lange luie stoel lagen en naar de oevers van de Waterweg keken. Want de "Willem Ruys" was inmiddels vertrokken en op weg naar zee.

Ze keken even doezelig voor zich uit. "Niet om te geloven," zei Klaas. "Als ik het thuis vertel, zeggen ze dat ik het lieg."

Kees en Piet knikten maar en Kees zei: "Zo'n dag heb ik nog nooit meegemaakt. Lijnvaart is zo gek nog niet."

"Ho .... ho ...." waarschuwde kapitein Scheepman. "Varen is geen passagiertje spelen, als jullie dat maar niet denkt. Varen is een hard maar ook een mooi leven. En als het stormt en je bent gewoon zeeman dan schiet het gewone eten er wel eens bij in. Bedenk dat als je ooit nog eens zou willen gaan varen. Ik heb jullie nu eens kunnen laten zien hoe wij Nederlanders de passagiers op de mailschepen verwennen. Daarom varen vreemdelingen zo graag met Nederlandse schepen."

Toen ze in de vallende avond de statietrap afgingen en op de sleepboot overstapten die hen in Hoek van Holland aan de wal zou zetten, zei Klaas. "Hebben we even een toffe vacantie achter de rug. En dat alles door die regenmiddag, een paar dagen geleden."

"En door kapitein Scheepman, die ons toen oppikte om ons wat te vertellen," zei Kees.

Hij stapte op de kapitein toe en gaf hem een hand. "Bedankt, kapitein," zei Kees. "Het was reusachtig wat u ons hebt laten zien."

"Al lang goed, jongens, allang goed. Onthou er wat van en vertel het verder. Dat mag wel eens, want de Nederlander weet soms zo weinig af van de zeevaart. Veel te weinig. Jullie weten er nu iets van en jullie hebben er iets van gezien. Een klein beetje maar."

"Maar het smaakte lekker " zei Klaas.

"Kwajongen," lachte kapitein Scheepman. "Moet je mij in de maling nemen?"

Toen voer de sleepboot de haven binnen en stapten ze aan land. Kapitein Scheepman die voldaan was dat hij drie Hollandse jongens een paar prettige en leerzame dagen had bezorgd en drie stadsjongens, die nu wat meer van de Nederlandse lijnvaart wisten.

-------------------------
Rotterdam toen en nu