Bombardement van mei 1940......
Het Bombardement van veertien mei 1940 in Rotterdam - Reactie van Piet Varkenvisser op de Statendam.....

Wat de Statendam al niet losmaakt

Pinksteren 1940, zomerse stemming. Wij - Ineke, Corrie, Henkie en ik - zoeken op het achterpad naar mooie glinstertjes. Er is pas nieuw koolas op ons pad gestrooid en daar kun je van die mooie glinsterglaasjes in vinden. Groen, rood of bruin liggen die glasjuweeltjes op onze hand in de zon. Iets anders kunnen we nu niet doen op ons achterpad tussen de Meiendaal en de Lange Geer. Het losse koolas geeft pas weer echte speelmogelijkheden als het vastgelopen is. Knikkeren, wedstrijden op de step, tollen - maar dat was op het smalle pad moeilijk, dat deden we meestal op straat. Last van auto's op straat? Nou nee.

We zijn dus op onze manier druk doende op ons achterpad als ik binnen geroepen word. De anderen worden tegelijkertijd binnen geroepen. Vreemd, we moeten allemaal thuiskomen en het is nog lang geen etenstijd. Als ik de kamer binnenkom, hoor ik de voordeur dichtslaan en komt mijn vader boos de kamer inlopen: "Die rotmof, die vraagt water voor zijn paarden. Laat-ie het uit de Geer halen." Dan besef ik weer dat het oorlog is, oorlog, een vreemd begrip voor een zevenjarige die in de beschermende buurt, die dit stukje Tuindorp is, met zijn vriendjes en vriendinnetjes opgroeit.

Nieuwsgierig klim ik op moeders stoel en zie aan onze kant van de Geer een hele rij grauw-groen geschilderde paard-en-wagens staan. Soldaten met dezelfde kleur pakken en helmen op hun hoofd lopen rond of zitten op de wagens. We waren zo druk met het zoeken van onze glinstertjes, dat we die wagens helemaal niet hebben horen komen.

In de middag hoor ik dat de stad in brand staat. Door de lucht trekken donkergrijze wolken en moeder zegt dat dat rook is van de brandende huizen. Er hangt een vreemde gedrukte sfeer. De opgewondenheid van 's morgens, de drukte en het gepraat van onze vaders en moeders zijn overgegaan in gelatenheid. Hun gedachten zijn kennelijk niet meer bij ons. De gewoonste dingen worden niet meer goed gevonden, maar een koekje uit het trommeltje pakken, iets dat nooit mocht, daar wordt niets van gezegd. Vreemd dat het koekje lang zo lekker niet smaakt als anders.

's-Middags mag Ineke bij me in de tuin spelen. Er komen allerlei zwarte snippers naar beneden dwarrelen. Als we ze oprapen, verpulveren ze door de aanraking met onze vingers. We kunnen wel zien, dat het verbrande kranten zijn of andere bedrukte papieren. Het wordt een spel om de zwarte bladders in onze tegen elkaar gehouden handen op te vangen. Als het ons gelukt is, gaan we naar mijn oudere zus Jopie, die ons voorleest wat er van de glimmende letters op het dofzwarte papier nog zichtbaar is. Een spel dat alleen mogelijk is omdat aan de andere kant van de rivier de stad brandt.

Wij op Zuid, met onze tuinen, ons spel op het achterpad en op het pleintje van de Meiendaal, onze school aan de Mare, dat was onze hele wereld. We hadden zelfs geen twijfel of moeder wel zou voorlezen voor we naar bed gingen. Nee, wij kinderen konden toch niet de ernst van het gebeuren inzien. Het leven ging ook gewoon door. Na een paar dagen kwamen de melkboer van de Vooruitgang en de bakker van de Voorwaarts weer gewoon aan de deur.

Na een paar dagen bij huis gehouden te zijn, ga ik met mijn moeder naar mijn school aan de Mare, de school van juffrouw Fransen. Er zijn maar een paar kinderen, ook met hun moeder, maar wel zijn al de meesters en juffen er. Wij gaan naar juf Peters, bij wie ik in de klas zit en ik zie dat mijn mooie leren tas, gemaakt van ribbeltjesleer, nog aan het haakje van mijn bank hangt. Ik liet die tas wel eens meer op school achter, wij hadden in de tweede klas eigenlijk helemaal geen tas nodig. Als ik hoor dat er Duitse soldaten in de school geweest zijn, die van alles overhoop gehaald hebben, word ik alsnog bang. Ik had mijn tas wel kwijt kunnen zijn!

Als we weer door de stad mogen, de branden zijn geblust en de belangrijkste straten zijn vrij van puin gemaakt, gaan vader en moeder met mij achterop de tandem naar Den Haag om te zien hoe het met opoe, oom Jo en tante Rie en met hun kinderen Arie en Jannie is.

In het begin van onze fietstocht over Zuid lijkt er niets aan de hand te zijn. Van alles dat ik heb horen zeggen, zie ik niets. Maar dan als op we de Parallelweg zijn, zie ik de uitgebrande Statendam bij de Holland-Amerika Lijn aan de kade liggen. Het mooie grote zwarte schip met zijn witte bovenkant, met zijn gele pijpen met de groen-wit-groene band er op, het schip dat ik zag vanaf het bootje, als ik met mijn vader uit de stad kwam en dat ons overvoer naar Katendrecht (er waren meer bootjes, ik weet niet meer zeker welk het was), dat schip lag nu scheef gezakt en zwart geblakerd, lelijk en smerig aan de kade.
Als we over de bruggen zijn - je snapt, we reden onder het Poortgebouw door richting Stieltjesplein - zien en ruiken we hoe erg het allemaal geweest moet zijn. Langs de straten zijn huizen ingestort of staan alleen de muren nog overeind. Door de lege vensters kunnen we naar de blauwe lucht kijken omdat er geen daken meer zijn. Station Beurs is een door kale muren omgeven leegte, maar gek genoeg loopt de spoorlijn nog over het viaduct en die lijkt helemaal onbeschadigd te zijn.
--------
In de richting van het Oostplein is alles kapot en als we onder de spoorlijn door zijn gekomen, zien we dat in de richting van het Hofplein ook veel gebombardeerd is. De Laurenskerk, die je anders nooit kon zien, staat nu met zijn stompe toren en geblakerde muren ver boven het puin uit.
Via de Coolsingel, waar alleen de Beurs, het Postkantoor en het Stadhuis nog overeind staan en aan de overkant de Luxor alleen is overgebleven, rijden we naar de Schiekade en dan in de richting Blijdorp. Via Overschie rijden we over het fietspad langs de autoweg in de richting Den Haag.
--------
--------
Dan, heel vreemd, doorstroomt me een gevoel van trots en vreugde als ik, wanneer we Ypenburg naderen, een Duits vliegtuig in een weiland zie liggen. Een neergeschoten geribbeld driemotorig vliegtuig, een Junkers 52. Even verder ligt er nog een en dan ligt er één vlak langs de weg, we moeten om de gebroken vleugel heenfietsen. Dat gevoel van: "We hebben ze mores geleerd!" is natuurlijk na alles wat ik van de stad gezien heb, heel begrijpelijk, ik was pas zeven, maar mijn vader had, toen ik er enthousiast over sprak, dat gevoel helemaal niet. Het emotioneel dichtgooien van de voordeur, toen die Duitser om water voor zijn paarden vroeg is beter verklaarbaar. Zijn verontwaardiging daar vóór op de tandem, over wat ik zei, ook. Zijn kwaadheid over het "nemen van wat niet van jou is", in dit geval ons land, is mij altijd bijgebleven.
Het niet sluiten van een compromis wordt een mens vaak euvel geduid, maar vaders compromisloze houding is me, door de ervaringen die ik met hem opdeed in de oorlogsjaren, tot een voorbeeld geworden. Mijn vader is al meer dan dertig jaar geleden met zijn brommer verongelukt, ik ben nu ouder dan hij in 1940 was, misschien ben ik onder invloed van mijn vrouw Jannie of door de leeftijd wat milder geworden - maar bij het zien van onrechtvaardigheden, het bewust mensen tekort doen of ze kwetsen - ja, dan begint er nog altijd in mij iets te woelen en hoor ik hem nog weer zeggen: "Die rotmof".
Rotterdam toen en nu