Vieze en lekkere geurtjes.....
Van "allerlei vieze luchtjes" via bezorging aan de deur weer terug naar geurtjes

Ontvangen verhaal van bezoeker:

Destijds, toen ze zongen ....: "Cheerio, cheerio, in Holland daar zingen we zo, zat vijf jaar de mot in maar nou zit er schot in ...", ja toen waren schillenboeren belangrijke medewerkers aan de Wederopbouw van het land. Ondanks dat ze stonken!

Deze vijgen lagen op de Putselaan, hoek Maashaven O.Z. We staan op het kleine driehoekige pleintje hier. De bebouwing rechts is het puntig uitlopende blok tussen de Putselaan en Abcoudestraat, die achter het blok schuin naar rechts wegloopt. De Blazoenstraat, die van deze hoek af schuin naar links wegloopt, valt net links naast de foto.

Luchtjes en geurtjes .... overal

De schillenboer haalde de schillen op met paard-en-wagen en de melkboer, de groenteboer, soms ook de bakker, die bezorgden vaak hun waren (nog) met paard-en-wagen. Dus lagen er overal in de stad en de wijken paardenvijgen. Lekkere geur, die paardenmest. Pikant!

Maar er waren véél meer bronnen van "luchies". Zo konden we allemaal ruiken wat de buren te eten hadden. In het bijzonder wanneer ze hachee hadden. Dat geurde overigens niet alleen bij de bereiding, maar had ook zo z'n werking in de darmen. Laten we hierbij dan vooral ook de kool niet vergeten: groene en witte kool (speciaal voor Rotterdammers); rode kool (socialisten?); bloemkool (konden dames mooie arrangementen van schikken); boerenkool (evident, ging je goed van boeren) - en allemaal stonden ze uren op het petroleumstel te garen en geuren. De stank trok door het hele huis. Over de karakteristieke (zondags) geur van gekookte spruitjes hoeven we het niet te hebben, maar ken je ook de knolletjes nog, zo weeïg zoetelijk?

Meer ....

Op weg naar school, langs de paadjes van Tuindorp Vreewijk, rook je al naar gelang het jaargetijde: Japanse kers en de seringen (lente), stof en droog heet zand (zomer), natte rottende bladeren (herfst) en de gasfabriek (winter).

Meer ....

In die jaren winkelde moeder elke dag en nam ze een bad eens per week. Tegenwoordig doen we het andersom. Kinderen gingen meestal niet frequenter in bad ('t was nogal geen operatie) en zo gaf ieder van ons zijn of haar eigen lijfsgeurtje af. En aangezien het bad meestal op zaterdag viel, was het laat in de week zelden "die frische Luft" zo geprezen in Beethoven's "Fidelio".

Nog meer ....

In de gang op school hingen bij regenweer kletsnatte jassen dicht op mekaar en die hadden zo hun eigen luchtje, een geur die ik na mijn lagere schooljaren nooit meer geroken heb, maar die ik onmiddelijk zou herkennen als ze weer in mijn neus kwam.

Meer ....

Weer andere luchtjes die ik me herinner, kwamen uit de bakkerij van J. Jansse ("U heeft Uw bakker gevonden") op de hoek van de Randweg en de Groene Hilledijk en de banketbakkerij van Scheffers op de Polderlaan. [Tegenover Jansse zat, op de hoek Hillevliet - Groene Hilledijk, trouwens ook nog bakker Van der Stelt]. Nog een. De paardenslager op de Hillevliet, ook weer een heel specifieke geur, zoetig paardenvlees en vleeswaren. In het bijzonder schiet me de lucht van rookvlees weer te binnen.

Hah! Bakker Jansse. Had niet alleen een heleboel broodwinkels, maar ook een uitgebreide straatverkoop, direct vanuit de bakkerskarren die we hierboven (in 1949) aan de Maaskade voor de bakkerij zien staan. Dit waren nog handwagens; later kwamen hier de "fietscarriers" voor in de plaats, in feite smalle gesloten bakfietsen met een klepdeksel. Nog weer later kregen die een Sachs 50 cc hulpmotor, wat het werk behoorlijk verlichtte.

Grappig eigenlijk. De meeste bezorgers van de bakkerij stapten van handkarren over op bakkersfietsen. De melkboer daarentegen stapte over op een "ijzeren hond", zo'n driewielig geval met een electromotor op het voorwiel. Dat kon gedraaid worden met een lange boom, waaraan ook de bedieningsgrepen zaten. De vooruit/achteruit-handle zat bij de wagen (A<••>V) en wij loerden er altijd op. Zou je 'm ongezien om kunnen zetten, dan kon je lachen. Reed de kar ineens achteruit! De melkboer kende ons en controleerde altijd z'n handeltje voor het wegrijden. Daar viel geen eer aan te behalen. Later kwamen er in plaats van de driewielers echte vierwielige karretjes, ook van Spijkstaal uit Spijkenisse, met een cabientje en een stuurwiel. Achterop een laadbakje. Hierin stonden twee melkbussen en we daagden elkaar uit, het kraantje hiervan een klein stukje open te zetten. Dan trok het karretje een dunne streep melk over de straat en dat leek ons prachtig.

De groenteboer hield zich niet op met die electrische modernismen, hij handhaafde z'n paard-en-wagen. Het paard voer wel op de rot geworden appels en zo, dat scheelde gelijk ook in de voerkosten.

We begonnen ons verhaal met geurtjes; we sturen weer op het einde aan met geurtjes. Huisvrouwen vonden het fijn dat de groenteboer aan de deur kwam, maar dat paard, dat werd argwanend bekeken. Eerst snapte ik nooit zo waarom, het was een lief dier en ik mocht het weles een klontje geven. Dat hapte het dan zo van mijn hand af. Maar alles werd mij duidelijk, die ene keer, toen het paard, recht voor onze deur, besloot dat het tijd was voor een fikse plas. De duimdikke straal kletterde recht naar beneden op de straatstenen en de druppels stoven tot ver op de stoep, zo over mijn korte broek, blote benen, sokken en schoenen. 't Rook niets fris. Het paard stond wat dromerig te kijken. Mijn moeder was er voorlopig nog niet over uitgepraat.

In dit licht bezien is het volgende voorval eigenlijk merkwaardig. Ooit zat ik op de Groenezoom, waar mijn moeder bij een zieke kennis op bezoek was, op straat met eigengemaakte bootjes te spelen. Je bouwde van een ijshoutje, twee lucifers en wat stukjes papier de fraaiste klipperschepen en ze zeilden prima. Er lag een mooie grote plas en ik was lekker bezig, toen er twee meisjes voorbijkwamen, die hun neus duidelijk hoorbaar ophaalden. Pas toen drong het tot me door, dat het al in minstens tien dagen niet geregend had ....

Rotterdam toen en nu