Hongerwinter......
Een verhaal uit de Hongerwinter: over brouwerijpaarden en bielzen......
Een kijker uit Canada schreef mij:
Mijn vader werkte voor d'Oranjeboom. Hij was een van die grote kerels, die met paard en wagen bier bezorgden. Ik werd geboren in 1935 en toen ik acht of negen of tien jaar oud was, ging ik in de zomer dikwijls met hem mee. Zijn route bracht hem naar de havens, niet naar de cafés, en zo was ik vaak aan de Oude Haven en het Haringvliet en soms bij de havens acher de Rosestraat, de Binnenhaven en de Spoorweghaven.
In 1944, gedurende de oorlog, was er een gaarkeuken op de brouwerij en vervoerde vader geen bier, maar voedsel op zijn wagen. Na de oorlog vertelde hij me dat op zekere winterdag, hij door de politie naar het spoor tussen de Rosestraat en de Oranjeboomstraat ontboden was. Het bleek dat sommige omwonenden besloten hadden, wat hout te verzamelen en hun oog was gevallen op de spoorbielzen, zo verleidelijk dicht bij hun achtertuintjes. Met veel gezucht en vertoon van spierkracht hadden ze de rails van de bielzen los gekregen. Maar natuurlijk was daarbij heel wat lawaai gemaakt, zo veel, dat de politie het te horen kreeg. Van het een kwam het ander, het hout werd in beslag genomen en vader werd ontboden met zijn paard (Wim) en wagen. De bielzen werden naar de brouwerij gebracht. Daar werden ze in kleine stukjes gezaagd en, zo vertelde mijn vader, naar de politiepost op de Nassaukade gebracht - waar het meerendeel werd gebruikt, om een familie van onderduikers, die op de tweede verdieping boven het kantoortje woonde, warm te houden.
Ik heb geen reden om aan dit verhaal te twijfelen; maar zelfs als het niet helemaal waar zou zijn, dan is het toch té goed om niet verder te vertellen. Twintig jaar geleden, als docent geschiedenis, hier in Canada, heb ik het dikwijls aan mijn studenten verteld. Maar velen van deze jonge mensen, geboren en opgegroeid in een land van melk en honing, konden zich niet voorstellen hoe moeilijk het was in de Hongerwinter van 1944, toen er geen gas, geen electriciteit, geen kolen en nauwelijks te eten was.
Vader hield van zijn paarden. In mijn hele leven zag ik hem slechts twee keer met tranen in zijn ogen (stoere mannen huilden niet, nooit) en de eerste keer dat ik de tranen zag, was toen de brouwerij besloot de laatste paarden door vrachtauto's te vervangen. Dat was in 1948 en ik geloof dat hij daarna nooit meer dezelfde man is geweest.
Rotterdam toen en nu