Oorlogstijd.........

Uit het Rotterdams Nieuwsblad van 28 december 1974:

Pastoor N. Apeldoorn o.p. is. nu met het einde van het jaar ook dat van de Provenierskerk steeds meer in zicht komt, voor enkele uren teruggekeerd in de Onze Lieve Vrouwe Rozenkranskerk, zoals zij officieel heet.
De thans 66-jarige Dominicaan dwaalt door de reeds grotendeels onttakelde pastorie, waar hij eerst als kapelaan en later als pastoor heeft gewoond Hij laat van het koor af z'n blik dwalen over het altaar, over de stoelen en banken, die plaats bieden aan duizend kerkgangers. Een groot gedeelte van die zitplaatsen is afgezet met een dik touw. Ze zijn overbodig geworden, want er kerken 's zondags nog maar zo'n tweehonderd gelovigen.

De muren van het godshuis zijn verveloos; door gebroken ruiten giert de wind naar binnen. Het is koud in het gebouw, want alleen tijdens de diensten wordt het vuur van de verwarming ontstoken.
1975. 'Victor' (rechts) en 'Vader Willem' nog éénmaal in de gewelven, waar zich gedurende de oorlog in de Provenierskerk zoveel heeft afgespeeld.
Pastoor Apeldoorn huivert; hij zet de kraag van z'n mohair winterjas op. Maar het is niet alleen de temperatuur, die deze beminde priester met kilheid slaat. Ook de gedachte, dat straks de driekwart eeuw oude kerk, waaraan hij zoveel herinneringen heeft, er niet meer zal zijn, draagt daartoe het hare bij. Vooral ook herinneringen aan de barre oorlogsjaren, toen de Provenierskerk een centrum van verzet tegen de bezetters was. Dat was voor een groot gedeelte het werk van "Victor", de naam van Pastoor Apeldoorn in de illegaliteit. Gekleed in het witte habijt van de Dominicanen was hij een werkelijke steun en toeverlaat voor allen in de Provenierswijk en ver daarbuiten, die door de Duitse maatregelen werden getroffen.

Onderduikers

Het begon met illegale blaadjes die van de kerk uit werden verspreid. Maar al spoedig klopten ook onderduikers aan bij Victor die toen nog kapelaan was onder de van Duitse afkomst zijnde pastoor Bartel. Tijdens de razzia's in november 1944 hebben er tientallen verborgen gezeten in de gewelven van het complex. Er werden radio's en koperen voorwerpen verborgen, die aan de roofdrift van de Duitsers waren onttrokken. In een zaaltje achter het eigenlijke kerkgebouw werden oefeningen gehouden met wapenen die door de Britten waren gedropt....

Aan dit alles denkt pastoor Apeldoorn, nu hij, min of meer met emeritaat en volgens de regelen van deze tijd gekleed in een vlot kostuum, voor die paar uur is teruggekeerd op de plaats, waar zich zo'n uiterst belangrijke periode van z'n leven heeft afgespeeld.
1975. Grijsgekuifde oud verzetsstrijder
W.J.J. Mulkens alias 'Vader Willem'
glimlacht maar z'n hart huilt als hij eraan denkt, dat zijn Provenierskerk tot puin zal worden herleid.
1975. Pastoor - Dominicaan
N. Apeldoorn, alias 'Victor' duikt in gedachten onder in het verleden.
Van die periode kan hij zich nooit meer losmaken; zij heeft teveel een stempel op hem gedrukt.

"Ik ben in 1945, nadat ik in '44 de benen had moeten nemen, toch wel als een ander mens in Rotterdam teruggekeerd", zegt hij er zelf van. 'Je hebt door al dat gebeuren in de oorlog geestelijk een verandering ondergaan. Er moesten beslissingen over leven en dood worden genomen, die geen sterfelijk wezen -en dat zijn we toch allemaal - onberoerd hebben kunnen laten".

Lichtelijk voorovergebogen en alsmaar sigaren rokend, wil hij wel wat over die periode vertellen. Telkens echter maakt hij de restrictie, dat zoveel anderen zulk uitstekend werk voor de illegaliteit vanuit de Provenierskerk hebben gedaan. Daarmee doelt hij vooral ook op de heer W.J.J. Mulkens, evenals hij nu 66 jaren oud.

"Vader Willem" werd de heer Mulkens in die zwarte periode van onze geschiedenis genoemd en onder die naam kennen hem nog velen in de Provenierswijk en daarbuiten. Vader Willem, een grijsgekuifde goedlachse man, was meubelmaker van beroep. Hij behoorde tot de eerste Rotterdammers, die door de Duitsers voor arbeid naar het Germaanse land werden afgevoerd. Maar hij bleef niet voor lang in Duitsland, want hij kon het niet met eer en geweten in overeenstemming brengen om ook maar één bijdrage te leveren tot de Duitse oorlogsinspanning. Vader Willem keerde langs allerlei sluipwegen terug naar Rotterdam en naar zijn Provenierswijk, waaraan hij z'n hart heeft verpand.

Hij meldde zich bij pastoor Bartel om allerlei klusjes in de Provenierskerk op te knappen. Al spoedig beperkten die zich niet tot het repareren van stoelen of banken of andere handzame karweitjes. Hij ging zich inlaten niet de hulp aan onderduikers waarvan kapelaan Apeldoorn de centrale figuur was.

In de pastorie, die nu op de slopershamer wacht, zitten ze weer bijeen, Victor en Vader Willem. Beiden betreuren het ten zeerste, dat de Provenierskerk, als zoveel kerken in de stad, spoedig tot het verleden zal behoren. Immers, zij hebben nauwere banden met dit Godshuis dan wie ook. Toch zijn zij realist genoeg om te beseffen dat als gevolg van het sterk teruggelopen bezoek aan de kerk de instandhouding financieel geen haalbare kaart is.
"Of er zou door de overheid geld moeten worden uitgetrokken om zulke monumenten in stand te houden", mijmert pastoor Apeldoorn. "Ik ben ervan overtuigd, dat men later enorme spijt zal krijgen van al dat gesloop. Je moet de moed kunnen opbrengen om niet alles zo rationeel te benaderen,' maar blijkbaar kan dat in ons land niet... "
1940. Dempen van de Schie met puin van de stad, links de bomen van de Provenierssingel. Op de hoek huis met torentje dat later door een Engels bombardement werd vernield.
Pastoor Bartel.

In 1940 was de Provenierswijk een stadsdeel met een sterk Rooms Katholieke inslag. Mede door de onzekerheden in de oorlog zat de Provenierskerk tijdens elke dienst vol. Sinds 1935 was de inmiddels overleden pastoor Bartel er de geestelijke leider. Hij was, hoewel hij beslist niets op had met het Nationaal Socialisme, toch wel sterk verknocht aan Duitsland. Toen nog Kapelaan Apeldoorn kreeg al spoedig te maken met de problemen van onderduikers. Hij was leraar maatschappijleer op een Ambachtsschool en bovendien vervulde hij een leidende rol bij de St.Jozephgezellen, waar veel jongelui kwamen, die met de arbeidsinzet in Duitsland werden bedreigd. De hulp aan hen, die zich er aan wilden onttrekken, moest uiterst omzichtig gebeuren, want er was in de pastorie van de Onze Lieve Vrouwe Rozenkranskerk een volbloed Duitse dienstbode.

"Gelukkig keerde die al spoedig naar haar Heimat terug" vertelt Victor. "Ik moet zeggen, dat pastoor Bartel wel uiterst en volgens mij te voorzichtig was, maar volgens mij heeft hij zeker nooit iets gedaan, waardoor onderduikers of illegale werkers in handen van de Duitsers zijn gevallen. Ik herinner me nog goed, die Oudejaarsdag 1942. 's Avonds laat kreeg ik via een geheime telefoonlijn contact met belangrijke verzetsmensen in Limburg. De pastoor stond erbij. Hij hoorde me praten over Sicherheitsdienst en dergelijke. Hij begreep dat ik bezig was om bonkaarten voor onderduikers te krijgen. Hoewel hij me tot voorzichtigheid maande, heeft hij me niet verboden met die activiteiten door te gaan. Het is me nu nog steeds niet bekend of hij wist dat ik sterke banden had met de landelijke organisatie voor onderduikers en op den duur met knokploegen.

In de gemeenten op de Zuidhollandse eilanden werden de verzetsgroepen vooral bemand door Gereformeerden. Ik zag het als mijn taak de katholieken in die plaatsen met hen in contact te brengen. Er moest dus heel wat worden gereisd'.


Onderduiken.

"In 1944, het was in de maand januari, moest ik verdwijnen want de Duitsers zaten me op de hielen. Ik ben toen naar Den Haag gegaan waar door het oprollen van illegale organisaties de boel min of meer in het slop was geraakt. Er moest orde op zaken worden gesteld. Ik ging daar als gewoon burger door het illegale leven althans uiterlijk... ". De heer W.J.J. Mulkens alias Vader Willem bleef zijn activiteiten in de Provenierswijk met hulp van anderen voortzetten. Zo waren alle klokken uit de Provenierskerk weggehaald. Eén klokje hadden de bezetters echter over het hoofd gezien. Het zogenoemde Angelusklokje dat elke middag om twaalf uur werd geluid. Op verzoek van o.a. kapelaan Kuhlman (inmiddels overleden) heeft hij met halsbrekende toeren het klokje overgebracht naar een kleine neventoren. Daar heeft het tot het einde van de oorlog steeds geluid. Er is geen Duitser meer om geweest.
April 1945. Mevrouw Kemkes met het Zweedse brood.
Vader Willem  heeft een groot aandeel gehad in het verbergen van onderduikers tijdens de razzia's in november '44. Hij kende elke gang, elk gewelf van de kerk op z'n duimpje. In een gewelf onder een zaaltje van het kerkcomplex heeft hij zo'n vijfentwintig man verborgen gehouden. Ze zaten daar achter dikke muren, waarin een gat was gemaakt, dat steeds werd afgesloten.

De heer Mulkens: "Sommigen konden het niet opbrengen. Ze kregen het benauwd. En dan moesten we de boel weer openmaken om ze er uit te laten".

Vader Willem herinnert zich nog heel goed de kerstdienst in 1944. Hoewel er een spertijd door de Duitsers was ingesteld, kwamen de mensen 's nachts gewoon naar de kerk. En er waren ook Duitse militairen bij...
Trouwens, die heeft Victor ook vaak onder z'n gehoor gehad. Hij had daar geen moeite mee. "Als die mensen hun geloof willen belijden, waarom dan niet. Bovendien waren het voornamelijk soldaten van de Wehrmacht, die misschien zelf ook niet zoveel op hadden met het Nazisme."
De Provenierskerk was in die donkere dagen dag en nacht open. Hoewel het door gebrek aan brandstof bijzonder koud was in de kerk, was het een vluchthaven in de ware zin van het woord.

En nu nadert het einde van deze "vuurtoren" in de zwarte nacht van de bezetting. Spijtig, heel spijtig, dat zo'n gebouw geen blijvend monument kan zijn voor al hetgeen er zich tijdens de oorlog heeft afgespeeld. Misschien waren mensen, die er iets aan konden doen, er niet zo van op de hoogte.
Rotterdam toen en nu