History van Katendrecht......

Zo is het begonnen.....

Katendrecht: een schiereiland midden in Rotterdam. Omsloten door havenbedrijven ligt daar een woonwijk: sterk geïsoleerd en toch midden in de havenstad. Een merkwaardig stuk stad, waarvan je je kunt afvragen hoe iemand het ooit heeft kunnen bedenken om daar nog woningen te bouwen.
Behalve de naam van deze wijk is Katendrecht een begrip tot ver buiten Rotterdam. Het woord 'Katendrecht' is voldoende om bij menigeen een wereld van associaties op te roepen, schuine moppen uit te lokken of minachtend de neus op te halen.
Een stadswijk met een merkwaardige vorm en een naam die ergens 'voor staat'. Het zou een misverstand zijn te menen, dat deze twee kenmerken louter toevallig zijn. Beide kenmerken zijn resultaat van een produktieproces waarin de stedebouwkundige vorm en het sociaal beheer van de stad met elkaar verweven zijn geraakt. Over dat produktieproces gaat dit verhaal. Katendrecht is een begrip. Nog wel. Maar het zal niet lang meer duren voor de rotterdamse zondagswandelaar, al slenterend langs de kaden van de rechter Maasoever op zoek naar fantasieprikkelende beelden die hollands en vooral rotterdams glorie kunnen bevestigen, het vertrouwde beeld van Katendrecht zal zien veranderen, dat veilig gescheiden door het vierhonderd meter brede waterfront zich aan de overzijde aftekent.
Nu al liggen kaden en havenloodsen er verlaten bij. Daarachter zijn reeds de vormen te onderscheiden van nieuwe woningbouwkomplexen - de eerste nieuwbouw sinds het ontstaan van de wijk rond de eeuwwisseling. Het dempen van de havenbekkens, waarna aan het rivierfront een nieuwe skyline van woningbouwkomplexen kan verschijnen, zal deze verandering kompleteren. Het ligt voor de hand een relatie te vermoeden tussen de aktieve politiek van de gemeente Rotterdam om de prostitutie en haar bijverschijnselen te verwijderen van Katendrecht, onlangs op een hoogtepunt in de vorm van sluiting van alle nog resterende bordelen, en de technische maatregelen die onder de naam stadsvernieuwing een ruimtelijke metamorfose van Katendrecht zullen veroorzaken. Histories heeft niet alleen de prostitutie, maar alles wat als 'sociaal randverschijnsel' bekend is geworden, niet op grote sympathie van de geïnstitutionaliseerde politiek kunnen rekenen.
Verlaten loods van havenbedrijf 'Citex' op het Eerste Katendrechtse Hoofd.
Naast de katholieken en liberalen is het in de grote steden vooral de sociaal-democratie geweest die vooropgelopen heeft in de strijd tegen alcoholisme, landlopers, prostitutie én tegen spontaneïsties arbeidersverzet en andere ongeorganiseerde opwellingen van sociale onvrede. Het bestaan van grote delen van de bevolking buiten de heersende sociale orde wordt als probleem ervaren, omdat de strategieën van links zich juist binnen een bepaalde sociale orde afspelen: het organiseren van de arbeidersbeweging veronderstelt de (massale) aanwezigheid van georganiseerde (of organiseerbare) arbeiders. Het organiseren van bewonersacties veronderstelt de aanwezigheid van mensen die zichzelf als bewoner herkennen. Naast een langdurige traditie van sociaal-democratie stadsbestuur is de laatste tien jaar het verschijnsel van de bewonersorganisaties en buurtactiegroepen een belangrijke plaats in de stadspolitiek gaan innemen. Een plaats die in belangrijke mate formeel erkend en geïnstitutionaliseerd is. Het ontstaan van bewonersorganisaties en de plaats die zij zijn gaan innemen, betekenen een uitbreiding van het spectrum van de institutionele politiek. Met deze uitbreiding treedt tegelijk een verandering op van de totale sociale orde van de stad: een verandering van de institutionele politiek tot datgene wat buiten de sociale orde staat. In deze ontwikkeling is Operatie Katendrecht als een episode te lezen. Het is een verhaal over de overgang van de ene vorm van sociaal beheer van de stad naar de andere: van de isolering en afscherming van het vreemde en afwijkende naar de spreiding en openbaarheid ervan. Een reconstructie van een machtsveld rond de sociale afwijking, waarbij aspecten van politionele controle en welzijnswerk nauw verbonden zijn geraakt met woonruimteverdeling, stedenbouwkundig beleid en gedecentraliseerd wijkbestuur.
Deel 1. ONTSTAAN VAN DE KAAP: EEN NIEUW TYPE ARBEIDERSWIJK

Bruut imperialisme van de grote werkstad: is dat niet de meest voor de hand liggende typering voor wat er met Katendrecht rond de eeuwwisseling gebeurt? Het voormalige dorp Katendrecht wordt geannexeerd en meedogenloos weggegraven ten behoeve van de aanleg van havens die Rotterdam tot de stad met de grootste haven ter wereld moeten maken.
In de jaren tussen 1900 en 1911 wordt het voormalige dorp Katendrecht vrijwel geheel met de grond gelijk gemaakt. 700 woningen worden gesloopt, 3500 mensen worden gedeporteerd. De operatie heet noodzakelijk te zijn om de aanleg van de Maashaven mogelijk te maken. Voordien was Katendrecht een dorp aan de route Antwerpen - Amsterdam. Als oversteekplaats kreeg het ook een funktie als rustplaats, met herbergen en logementen. Deze kwaliteit, naast de fraaie ligging en de directe nabijheid van Rotterdam, deden Katendrecht erg in trek komen bij de gegoede rotterdamse burgerij, die er haar villa's en buitenhuizen bouwde.
Katendrecht was de plaats van het vertier van de opgeklommen ondernemers, uitstervende adel en pauzerende reizigers. Een breed waterfront scheidde dit voorname oord veilig af van de stad Rotterdam met zijn stof, stank, lawaai en benauwde straten, en vooral met zijn werklieden, paupers en bedelaars. Dat wordt anders wanneer de rotterdamse havens verder ontwikkeld gaan worden. Met de keuze voor een uitbreiding van de haven op de Linker Maasoever wordt een vaste oeververbinding een direkt rotterdams belang. Met de realisering van deze oeververbinding in de vorm van de Willemsbruggen heeft Katendrecht in één klap zijn functie als oversteek- en pleisterplaats van noord-zuid-reizigers verloren. En met de directe nabijheid van de havens en het werkvolk op Feijenoord heeft het dorp veel van zijn voor de burgerij zo aantrekkelijke isolement verloren.
Het voorname dorp Katendrecht raakt in verval. De burgerij gaat haar rust elders zoeken. Met het verlies van zijn oorspronkelijke funktie en het naderbij komen van de havenactiviteiten is Katendrecht rijp voor een metamorfose, waarvan de aanleg van de Maashaven uiteindelijk meer aanleiding dan oorzaak lijkt te zijn.
Katendrecht na het graven van de Maashaven in 1920.
Gezondheidspolitiek in Rotterdam: verbetering van de openbare gezondheid, veiligheid en geregelde gemeenschap

Wanneer de Maashaven gegraven is, ontstaat op het resterende schiereiland tussen Rijn- en Maashaven een wijk, waarvan Van Ravesteyn opmerkt dat 'die wat haar opbouw betreft niet onderdeed voor wat in diezelfde tijd ook elders tot stand kwam'
Inderdaad kan de inrichting van deze kersverse wijk gelden als een prototypies resultaat van het debat over de stedelijke inrichting van Rotterdam, dat al een driekwart eeuw de gemoederen van gemeentelijke politici en stadsarchitecten bezighield. Kennis van de inhoud van dit debat is niet alleen van belang om de ontstaansgeschiedenis van het schiereiland Katendrecht te begrijpen, maar ook om de ontwikkeling van Katendrecht ná zijn voltooiing te kunnen plaatsen.
In 1839 benoemt de rotterdamse gemeenteraad W. N. Rose tot stadsarchitect en directeur van de Dienst Gemeentewerken te Rotterdam. In de periode dat Rose deze functie bekleedt (tot 1855), bestaan zijn werkzaamheden uit de ontwikkeling van plannen voor herstructurering van de oude stadswijken binnen de vesten en voor uitbreiding van de stad in de polders. Het centrale Leitmotiv achter deze plannen wordt omschreven als 'de verbetering van de openbare gezondheid' De relatie tussen de groei van de bevolking in de bestaande stad, die beperkt bleef tot het oppervlak binnen de vesten, en de steeds snellere opeenvolging van diverse epidemieën, baarde de gemeente Rotterdam al langere tijd zorgen.
De voorstellen van Rose, met als meest bekende het zogenaamde Waterproject (de ontwikkeling van een stelsel van singels in de nieuwe uitbreidingswijken ter verkrijging van een regelmatige waterverversing), werden pas na zijn aftreden als directeur gehonoreerd met uitvoering. De snelle opeenvolging van cholera-epidemieën in 1848, 1849, 1853, 1855, doet de gemeenteraad besluiten uitvoeriger maatregelen te nemen dan de demping van een paar grachten, waartoe ze zich tot dusver beperkt had. In 1854 benoemt de raad een Openbare Gezondheidscommissie, bestaande uit gemeenteraadsleden, rechtsgeleerden, geneeskundigen, natuur- en scheikundigen en bouwkundigen. Deze Gezondheidscommissie krijgt tot taak de gemeenteraad te adviseren in alle zaken die de openbare gezondheid betreffen. De Gezondheidscommissie richt zich, zoals ook later in dit verhaal zal blijken, vooral op de wijze waarop de openbare gezondheid bevorderd kan worden met (stede)bouwkundige maatregelen.
In 1857 benoemt de raad een kommissie uit haar midden, die een ruimere taak krijgt dan het onderzoeken van de openbare gezondheid: het betreft een kommissie van onderzoek, met de opdracht middelen te beramen tot verbetering van de toestand in de polders en in gedeelten van de binnenstad, 'met het oog op de openbare gezondheid, de veiligheid en de geregelde gemeenschap' Terwijl in de periode van Rose de inrichting van de stad in eerste instantie toegespitst wordt op de verbetering van de openbare gezondheid, wordt de 'taak' van de stedelijke herstructurering vanaf 1857 uitdrukkelijk uitgebreid met de verbetering van de veiligheid en geregelde gemeenschap. Onder meer Foucault wijst erop dat in de loop van de achttiende eeuw de gezondheidspolitiek als geïntegreerde staatsactiviteit ontwikkeld wordt: de zorg om de openbare gezondheid wordt onderdeel van een politiek en economies beheer dat als doel heeft de maatschappij te rationaliseren. De geneeskunde is niet meer een geïsoleerde techniek ter bestrijding van ziekten van individuen, maar wordt, verbonden met omvattende maatregelen, een essentieel element voor het behoud en de verdere ontwikkeling van de maatschappelijke verhoudingen. In dit kader wijst Foueault ook op de relatie tussen gezondheidspolitiek en misdaadbestrijding. Aanvankelijk werden hospitalen en armenhuizen bevolkt door een mengeling van zieken, kreupelen, bejaarden, gebrekkigen, zwervers, bedelaars: de 'behoeftige armen', die in het geval van massale losloperij een gevaar voor de gemeenschap zouden vormen. In de hospitalen en armenhuizen werden medische zorg en morele heropvoeding nauw aan elkaar verbonden.' Wat nu in de negentiende eeuw in de meeste westeuropese steden gebeurt, is de uitbreiding van een dergelijke gezondheidspolitiek naar het terrein van de stedelijke infrastructuur en de huisvesting van de bevolking. Benjamin beschrijft deze ontwikkeling aan de hand van de transformatie van Parijs door Haussmann, die de aanleg van brede boulevards, van riolering, waterleiding en straatverlichting in één geïntegreerd plan ontwikkelt. Hiermee wordt in de stad tegelijk een infrastructuur voor het moderne warenkapitalisme geschapen (winkelboulevards, passages, warenhuizen) als een geïntegreerd controlesysteem ter preventie van epidemieën, misdaad en staatsvijandige oprispingen.
Konkrete maatregelen in Rotterdam

In de tweede helft van de negentiende eeuw worden in Rotterdam een aantal maatregelen genomen ten aanzien van de stedelijke infrastructuur en de huisvestingsvoorwaarden, ondanks nog langdurige meningsverschillen tussen met name ambitieuze ambtenarij en meer behoudende politici. Rose, die na zijn aftreden als directeur nog verbonden blijft aan Gemeentewerken als 'ingenieur-adviseur', bleef bijvoorbeeld aandringen op een totale herstructurering van de delen van de oude stad rond de Zandstraat en rond de Schiedamsedijk, waar in de stelsels van stegen, sloppen en gangen meer dan 1000 mensen per hectare woonden.' In deze stadsdelen beperkte de raad zich echter voorlopig tot demping van enkele van de meest vuile grachten. Pas veel later, wanneer het Zandstraat-kwartier moet wijken voor de bouw van een nieuw stadhuis, zal Rose's wens voor wat betreft dit stadsdeel uitgevoerd worden.
Als basis voor de ontwikkeling van nieuwe uitbreidingsplannen worden in 1857 en 1860 bouwverordeningen door de gemeente vastgesteld, die van de vroegere ordonnanties verschilden doordat de eisen met betrekking tot preventie van bouwvalligheid en brandgevaar uitgebreid werden met eisen op het gebied van de hygiëne. zowel in de openbare sfeer (minimum straatbreedten, hoogte grondpeil, gevelafstanden) als in de woningen zelf (minimum-afmetingen vertrekken, daglichttoetreding, aansluiting op riool en waterleiding, enzovoort).
In de daaropvolgende jaren wordt de bouwverordening herhaaldelijk aangepast en uitgebreid. Het is dezelfde periode waarin riolering van gemeentewege wordt aangelegd, de particuliere waterbedrijven door de gemeente worden overgenomen en overal waterleidingen gelegd, de particuliere gasfabrieken overgenomen worden en de hele stad voorzien wordt van straatverlichting. Het gros van de stratenplannen in die periode wordt nog door particulieren ontwikkeld, voornamelijk bouwspeculanten, die nu echter aan de strenge voorschriften van de houwverordening konden worden getoetst. De gemeente zelf beperkte de ontwikkeling van stratenplannen vooralsnog tot die delen van de stad, waar uit het oogpunt van het 'Algemeen Belang' een dergelijk stratenplan noodzakelijk was maar het particulier initiatief te kort schoot. Een van die gebieden was Katendrecht. De gemeentelijke stratenplannen die op basis van de nieuwe bouwverordeningen tot stand komen zijn voornamelijk het werk van De Jongh, directeur van Gemeentewerken van 1879 tot 1910. Twee belangrijke redenen waren er voor de gemeente om voor Katendrecht een nieuw stratenplan te ontwikkelen: ten eerste de herhuisvesting van de bewoners van de 700 gesloopte woningen, maar wellicht belangrijker was het motief een deel van de exploitatiekosten van de havenaanleg op de woningbouw af te kunnen wentelen.
======================
De strikte toepassing van de bouwverordening van 1887 en van een formeel stratenpatroon maakte het nieuwe Katendrecht tot een model van een nieuw type arbeiderswijk, waar naar de modernste inzichten alle middelen waren aangewend om de openbare gezondheid, veiligheid en geregelde gemeenschap te garanderen.
Althans, dat hoopten de opstellers van het plan. Havenpolitiek in Rotterdam. over massagoed en stukgoed Wijzigingen in het gebruik en beheer van de havenbekkens rond Katendrecht hebben ertoe geleid dat de uiteindelijke omvang van het woongedeelte zeer beperkt bleef. Met andere woorden: het aanvankelijke voornemen om van Katendrecht een 'modelwijk' te maken hield verband met een havenpolitiek die ervan uitging dat de havenactiviteiten beperkt zouden blijven tot het 'stroomwerk', waarin de kaden met de aangrenzende woonwijken nauwelijks een functie zouden vervullen. Het zou echter anders lopen. De Rijnhaven was de eerste haven op de Linker Maasoever die door de gemeente zelf ontwikkeld werd. De Koningshaven was een resultaat van rijksbemoeienis ten behoeve van de riviervaart. De Spoorweghaven was eveneens een rijksinitiatief, ter verbetering van de verbinding tussen spoor en water. Kort daarna ontwikkelde de Rotterdamsche Handelsvereniging van Pincoffs de Binnenhaven en Entrepothaven, met een voor die tijd uiterst moderne outillage van stoom- en later hydrauliese kranen en ruime loodsen. De door Pincoffs ontwikkelde havens waren bij uitstek stukgoedhavens: bestemd voor de overslag van goederen die in balen, vaten, kisten, zakken vervoerd werden. Hoewel de stukgoedoverslag van meet af aan in de rotterdamse haven van veel geringere omvang is geweest dan de massagoedoverslag (kolen, erts, graan, zand, olie, enzovoort), is de stukgoedoverslag veel tijds- en arbeidsintensiever: zozeer zelfs dat het grootste deel van de havenarbeiders werkzaam is in de stukgoedoverslag. De lange kaden van Binnenhaven en Entrepothaven waren bij uitstek toegesneden op de noodzakelijk langdurige aanmering van meerdere schepen tegelijk. Na het faillissement van de (van-krantenjongen-tot-)havenmagnaat Pincoffs, die zich aan dit miljoenenproject danig vertild had, kwamen de havens in handen van de gemeente en werd havenuitbreiding een gemeentezaak. Het was dezelfde De Jongh die tot taak kreeg met zijn Dienst Gemeentewerken de havenontwikkeling ter hand te nemen. Het streven van De Jongh was de voorwaarden voor de snel groeiende massaoverslag te verbeteren. De massagoedoverslag vond grotendeels 'op stroom' plaats. De aan boeien gemeerde zeeschepen slaan hun lading direct over in de langszij gelegen rivieraken.
Het eerste project in dit verband, de Rijnhaven, was geheel toegesneden op de massagoedoverslag en derhalve van een geheel ander type dan de stukgoedhavens van Pincoffs: de Rijnhaven is een breed bassin met relatief meer wateroppervlak en minder kadelengte. Het bassin ligt vrijwel evenwijdig aan de loop van de rivier met een smalle havenmond stroomafwaarts gericht. De vorm werd beargumenteerd zowel vanuit scheepvaartkundig oogpunt (vanuit de zeemond konden de lange schepen makkelijker invaren, het brede bassin maakte het laden en lossen 'op stroom' van meerdere zeeschepen naast elkaar mogelijk, de stroomafwaarts gerichte havenmond hield de haven vrij van drijfijs, waardoor de haven 's winters functioneerde als schuilhaven) alswel vanuit stedenbouwkundig oogpunt: 'Uit stedenbouwkundig oogpunt kwam daarbij nog een ander voordeel namelijk dit, dat de havens als coulissen naast elkaar konden schuiven, nagenoeg evenwijdig aan de rivier en op betrekkelijk korte afstand daarvan, zodat minder oeverlengte gebruikt en diepe insnijding met verbrokkeling van het woongebied vermeden werd.
Zandstraatkwartier c.a.1910
De enkele jaren later ontwikkelde Maashaven was volgens hetzelfde principe als de Rijnhaven ontwikkeld en bedoeld voor de overslag 'op stroom'. Vanuit deze bedoelingen werd aanvankelijk geen rekening gehouden met bedrijvigheid aan de kaden van de Maashaven. Havenondernemers verwijten later de gemeente dat de eenzijdige oriëntatie op het massagoed een misrekening was.
De 'wetenschappelijke' havenondernemer J.Ph. Backx, in de jaren dertig directeur van rotterdams grootste havenbedrijf Thomsen, na 1945 directeur van de ScheepvaartVereniging Zuid (SVZ, de organisatie van rotterdamse havenondernemers), constateert in zijn dissertatie in 1929 dat de kaden van Rijn- en Maashaven toch door bedrijvigheid in beslag genomen zijn en noemt daarvoor twee redenen: - de verwaarlozing van de stukgoedoverslag door de gemeente, waardoor stukgoedbedrijven hun toevlucht moesten zoeken op kaden die er eigenlijk niet voor waren bestemd; - de mechanisering van de massagoedoverslag: naast de invoering van graanelevators, die de overslag van graan 'op stroom' versnelden, werden voor de overslag van kolen en erts elektrische laadbruggen ingevoerd, die alleen op kaden konden worden geïnstalleerd, in tegenstelling tot de drijvende elevators.
Een groot deel van het massagoed moest daardoor aan de kaden worden overgeslagen. Behalve dat die ontwikkeling een uitbreiding van woonblokken aan de Maashaven verhinderde, moesten de voorwaarden voor het transport over spoor en weg aanzienlijk worden uitgebreid, waardoor de woonwijk Katendrecht omgeven werd met tientallen spoorlijnen en aanvoerwegen, die bovendien de naburige wijken Hillebuurt en Afrikaanderwijk doorsneden. Dat dit zowel uit stedenbouwkundig oogpunt als uit het oogpunt van havenbeheer niet was voorzien, blijkt uit de klaagzang van Backx, die stelt dat de treinen voor Maas- en Rijnhaven een te lang traject door de bebouwde kom moeten afleggen om snel en efficiënt te kunnen werken." De goederenoverslag aan de kaden van het schiereiland Katendrecht wordt in de eerste decennia overheerst door de overslag van erts en kolen: berucht werd onder andere de 'kolentip' op het Tweede Katendrechtse Hoofd, maar ook Thomsens Havenbedrijf aan de Maashaven was gespecialiseerd in de kolenoverslag. Daarnaast vond in beperktere mate stukgoedoverslag plaats, met name aan de Rijnhaven-zijde.
De definitieve structuur van Katendrecht
Tegelijk met de projectering van de Maashaven (1895) ontwikkelde De Jongh ten oosten van de Tolhuisstraat en de wetering een formeel stratenpatroon, bestaande uit een hiërarchiese structuur van loodrecht op elkaar staande straten: drie hoofdstraten van 25 meter breed (Atjehstraat, Delistraat, Sumatraweg), dwars daarop straten van 15 meter breed (Lombokstraat en Timorstraat)  
Pas later wordt besloten de woonwijk uit te breiden ten westen van de voormalig wetering.  
Het hiërarchiese stratenplan van het oostelijk deel wordt in het westelijk deel strikt voortgezet met exakt dezelfde straatbreedten." Alleen de Rechthuislaan krijgt een baas-boven-baas-funktie, uitgedrukt in de extra brede maat van 30 meter. Katendrecht was inderdaad een wijk, die niet onderdeed voor wat in diezelfde tijd elders tot stand kwam.  
Straatbreedten en bouwhoogten zijn dezelfde als in andere gelijktijdig ontwikkelde wijken en buurten.  De brede straten waren een demonstratie van het nieuwe type stedelijkheid: licht en groen, schoon en overzichtelijk. Nauwelijks tien jaar na de voltooiing van het nieuwe katendrechtse woongebied wordt niet meer gerept over een vergelijking van Katendrecht met andere wijken. In die korte tijd heeft Katendrecht zich ontwikkeld tot een wijk die het officiële Rotterdam als een noodzakelijk kwaad beschouwt, 'een buurt vol sociale ontreddering (...) waar de benedenlaag der arbeidersbevolking zich mengde met de onderste laag der bevolking waarmee zij haar onregelmatige levenswijze gemeen had'. Terwijl men met een nieuwe stedelijke struktuur de voorwaarden ontwikkeld dacht te hebben voor een betere hygiëniese en sociale kontrole, wordt juist deze wijk een koncentratie-oord van wat in sociologentaal 'de onderste lagen der bevolking' heet.
Rotterdam toen en nu