De Menschen van het Hoorspel....... door Aad van der Meulen......

Index....Aad van der Meulen

Gelezen door Aad van der Meulen

De Menschen van het Hoorspel

Een hommage aan hen die jarenlang het hoorspel dienden

 
 

We schrijven het jaar 1946. In het radio-bedrijf loopen tal van idealisten rond en de regelmaat, waarmee zij ontnuchterende pillen te slikken krijgen, wordt overtroffen door de hardnekkigheid, waarmee zij zich steeds weer door nieuwe illusies in roes laten zetten. Het moet wel een sterk idealisme zijn, waardoor menschen van de hoorspelafdeeling der radio zich telkens opnieuw laten bezielen.

Hoorspelregisseurs als S. de Vries Jr. en Carel Rijken loopen beiden al jaren in het programma-gareel. Zij hebben den ideeën-veelvraat radio door en door leeren kennen. Zij hebben vele malen hun hoofden gestooten tegen den muur, die de nuchtere practijk van het rijk der wenschen scheidt. Zij hebben gezwoegd en gesloofd voor het vermaak van den luisteraar en ook nog kans gezien, tusschen dit vermaak door, wat zwaardere en artistiek meer bevredigende schotels te serveeren. Dat was vóór den oorlog. Tijdens den oorlog zwegen zij.

 
Mei 1940 Leden van de propaganda-comp. Voor de A.V.R.O.-studio
 
Na den oorlog, toen iedereen elders iets anders wilde gaan doen dan hij voorheen deed, stapten zij, met fermen pas, opnieuw in het radio-bedrijf en begonnen bij Radio Herrijzend Nederland als van lust en moed tintelende nieuwelingen. Opnieuw als hoorspel-regisseurs, opnieuw vechtende voor de een tikje meer gewicht gevende accenten in het repertoire, opnieuw door daden getuigende van hun geloof in den loopenden-band-cultuur-machine, die Radio heet…!
 

 

Koppige mannen, van onverwoestbare trouw aan het geschenk, dat de twintigste eeuw van de technici kreeg, ter beheer door de kunstenaars. Hoorspelregisseurs zijn kunstenaars. En niet alleen de regisseurs, maar ook de mannen die hen terzijde staan: een technicus-virtuoos als Jan Moene, koning achter de draaitafel, waar het geluid gemixt wordt; als Jan C. Hubert, assisstent-regisseur en schrijver van chansons voor hoorspelen; Jan de Lang, geluiden-inspeciënt met - een gewoon mensch krankzinnig schijnende - opdrachten om de geluiden der wereld – de intieme en de groote – te fabriceeren. En laten wij ook niet de andere Nederlandsche radio-hoorspelregisseurs vergeten, die hun krachten gaven aan de hoorspelafdeeling van Radio Herrijzend Nederland en later respectievelijk naar de A.V.R.O., V.A.R.A. en K.R.O. teruggingen, toen deze omroepvereenigingen onder het dak van de Stichting Radio Nederland in den Overgangstijd, eigen programma’s gingen voorbereiden:

 

  S. de Vries Jr. en Jan C. Hubert 

 

Kommer Kleyn, Willem van Cappellen, Toon Rammelt. Even zooveel regisseurs met even zooveel stijlen, maar gebonden door het zelfde: Geloof !

Toen S. de Vries Jr., na zooveel verschrikkelijke oorlogsjaren, voor het eerst weer in de V.A.R.A.-studio, waar de hoorspelen van Radio Herrijzend Nederland gemaakt werden, in de regelkamer achter de regisseursmicrofoon plaats nam en aan de regie van zijn eigen spel ‘Hoe Malta gered werd’ begon, kon hij zijn ontroering niet beheersen. Doch over de ontroering van een man wordt doorgaans niet verder gesproken.

 

  Radio Herrijzend Nederland Eindhoven

 

Officieel begon Herrijzend Nederland eerst in October 1945 met hoorspelen die eigenlijk luisterspelen zouden moeten heeten, ook al vanwege het Germanistische van het woord ‘hoorspel’. Een redacteur van een dagblad, heeft dat ook officieel aan de Pers- en Propaganda-afdeeling van Herrijzend Nederland geschreven. Deze afdeeling besprak de kwestie met Ben Albach, leider van de hoorspelafdeeling. Die vond het eigenlijk ook wel maar ja… een term, die eenmaal burgerrecht heeft verkregen – in de programma’s, in de correspondentie, in het mondelinge spraakgebruik – krijgt men er niet zoo gauw meer uit. Bovendien, als weinig wetenschappelijke maar begrijpelijke argumentatie voerde Albach aan, dat juist de Germanistische Nederlandsche Omroep van de oorlogsjaren over ‘luisterspelen’ sprak, zoodat in dit geval het gebruik van een Germanisme distancieering van Germania beteekende. Bij wijze van ironie werd dit aan het dagblad geantwoord. Het blad kreeg stof voor een boos stuk, het woord ‘hoorspel’ bleef nog in zwang en de wereld draaide verder. Zoodra een officieele radio-terminologie is vastgesteld, zal dit inderdaad niet van belang ontbloote vraagstuk een oplossing vinden. Er zijn ondertusschen op zulk een hoorspelafdeeling ontzaglijk veel dingen om nog eerder aan te denken. Niemand kan ontkennen dat Ben Albach, van huis uit tooneelman in hart en nieren, niet met geestdrift zijn schouders heeft gezet onder de hem opgedragen taak. Uit het niets moesten hij en Carel Rijken, die behalve het voeren van regie ook nog een belangrijk aandeel in de organisatie op zich nam, benevens hun vrouwelijke assisstenten, Emmy Lopez Dias en Wolters, een repertoire uit de grond stampen. Zij moesten spelers engageeren. Dat was in een tijd van met kracht ontwakend tooneelleven, waarin een nijpend gebrek aan acteurs heerschte, lang geen sinecure.
Een goed tooneelspeler is nog geen goed hoorspelspeler. Zelfs kan men op het standpunt staan, dat heelemaal geen tooneelspelers aan het hoorspel te pas moeten komen. Doch dan is een grondige opleiding noodig van leeken en daar zulk een grondige opleiding niet in een dag, een week, een maand, een half jaar, een jaar, voor elkaar kan zijn en het publiek Herrijzend Nederland dringend om hoorspelen vroeg, werd deze principieele knoop op practische wijze doorgehakt: er moesten tooneelspelers komen. Goede tooneelspelers dus, die bereid waren den stimulans van het schouwburgpubliek op te geven en in de nuchtere hoorspelkeuken, met haar geluidspotten en lawaaipannen, onder te duiken. Goede tooneelspelers werden, zooals gezegd, ook door het tooneel gevraagd. Albach heeft als het ware dag en nacht achter krachten aangereisd en geconfereerd en teleurstellingen genomen en contracten geteekend en weer geannuleerd. Hij heeft met de problemen, geschapen door de kunstenaarszuivering (onderzoek wie voor de Duitsers heeft gewerkt (A.M.)), geworsteld. Hij heeft met een uit goede, zakelijke principes waakzame directie op sportieve wijze over honoraria gevochten. Hij heeft daarnaast de vurige wenschen van zijn regisseurs met begrip aangehoord; zij spraken uren lang over de stem van mijnheer A. of van mevrouw B., over jonge, oude en oudere stemmen, over karakterspelers-met-de-stem en typeurs-met-de stem. Regisseurs van hoorspelen bouwen het liefste aan een onbeperkt stemmenregister. Zij schatten spelers alleen naar de kwaliteit van hun stemmen en voor de rest mogen zij bochels hebben of o-beenen, tenminste zoolang er nog geen televisie is. Wat onder een goede stem wordt verstaan is een hoofdstuk op zichzelf. Duizenden meenen dat zij goede stemmen hebben en dringen aan op proefaudities.
Een enkele blijkt gelijk te hebben, maar inmiddels vergen de audities tijd en nog eens tijd. Want je kan met die duizenden aandringenden nooit weten….of er niet een bij is! Zoo kwam in een sfeer, waarvan een braaf en ordentelijk boekhouder zou zeggen dat het een dol geworden kermis lijkt, maar waarin voor den ingewijde wel degelijk systeem was te onderkennen, een hoorspeltroep tot stand.

 

V.l.n.r. Constant van Kerckhoven, Miep v.d. Berg, Wam Heskes, Huib Orizand, Nel Snel en Paul Deen

 
In die eerste weken van de hoorspelafdeeling, de radioluisteraar vergeve het ons, hebben Albach en Emmy Lopez Dias bij de gedachte aan alle beslommeringen die Koning Luisteraar eischt zonder hen te kennen, ter ontspanning zelf geïmproviseerde luisterspelen opgevoerd, waarbij de waardigste en bezadigste van hen voor een niet-bestaande microfoon op onnavolgbare wijze Tarzan heeft gecreëerd. Dit was altijd aan het einde van een langen dag, die ’s avonds voor de menschen der hoorspelafdeeling een vervolg had en eigenlijk nooit ophield en ophoudt. Het radio-bedrijf is niet alleen een veelvraat van ideeën, het is ook een veelvraat van menschelijke krachten, talenten, organisatievermogen, geduld en… zenuwen. De hoorspelafdeeling krijgt daarvan even goed zijn deel.

De spelers kwamen: Nono Batenburg, Miep van den Berg, Eva Janssen, Nell Koppen, Enny Mols-de Leeuwe, Daan van Ollefen, Wim van den Brink, Willem de Vries, Piet te Nuyl Sr., Maarten Kapteyn, Paul Deen, Wam van Delft in vast verband. Spelers als Else Mauhs, Rie Gilhuys, Marie Holtrop, Hetty Beck, Anny Schuitema, Tine Medema, Willy Haak, Mien van Kerckhoven-Kling, Dick van Veen, Han Bentz van den Berg, Wim Paauw, Gijsbert Tersteeg, Constant van Kerckhoven, Henk Schaer, Johan Schmitz, Jan van Ees, Johan Elsensohn, Ben Groeneveld meer of minder vaak in gastrollen.

Nu konden rollen verdeeld worden. Nu was het mogelijk, de mogelijkheden voor het repertoire te overzien en de onmogelijkheden vast te stellen. Nu kon men ook gaan praten over de manier, waarop deze spelers van hun woonplaatsen naar Hilversum gebracht en van Hilversum gehaald zouden worden. Het was heel moeilijk in deze vervoersmiddelen arme tijd. Nu had men menschen, niet altijd gemakkelijke menschen, niet altijd kalme menschen, niet altijd redelijke menschen maar menschen met temperament en met liefde voor de zonderlinge, tusschen kabels en lampen geboren kunstonderneming van het radio-hoorspel. Tegelijk – niet minder een schreeuwend zorgenkind – werd aan het repertoire gebouwd. Hoorspelschrijvers met kwaliteiten zijn even moeilijk te vinden of misschien nog moeilijker dan spelers. Het is een kleine kunst een stroom van hoorspelen binnen te krijgen. Het wordt al gauw een routinewerk om bij snelle lezing direct te zien, dat het grootste gedeelte van deze spelen zich eenvoudig niet voor opvoering leent. Honderden bedankbrieven gaan uit: “Helaas kunnen wij van uw werk geen gebruik maken…”, enz. Tientallen brieven komen terug, waarin de vertoornde scribenten om uitvoeriger opgaaf van redenen vragen. “Ons spel hebben wij aan de buurt voorgelezen en men vond het prachtig!” Schrijf nu maar eens aan een auteur in spé dat een hoorspel, waarin een hoofdpersoon niets zegt, maar alleen kwaad kijkt of met van genot stralende oogen zijn moestuin beschouwt of in een in detail nauwkeurig opgegeven pronkgewaad zwijgend paradeert, niet geschikt is. Zulk een hoorspel komt van iemand, die over de radio geen snars heeft nagedacht en in het wilde weg is beginnen te werken. Dat zijn de hopelooze, maar dikwijls lastige gevallen. Daar de radio een instrument is van het geheele volk, dus ook van hen, hebben zij recht op tekst en uitleg, die weer zooveel tijd kost. Dan stuurt men hoorspelen in, waarvan de schrijvers te zwaar over de radio hebben nagedacht. Zulke hoorspelen vragen zestien studio’s ( zij hebben naar analogie met de film, ik weet niet hoeveel ‘geluidsplannen’) of eenige tientallen, onmogelijk in zulk een snelle opeenvolging te produceeren geluiden. De geluidszwelgers, die de nachtmerrie der hoorspel-inspeciënten zijn, vormen een aparte kaste onder de would be hoorspel-auteurs. Zij hebben wel eens iets gehoord van het ‘absolute hoorspel’. Of zij vinden doodeenvoudig, dat van spanning geladen stilte, al is het maar drie seconden, de microfoon bijt. Of zij zijn van van meening, dat het hoorspel een nauwkeurige copie van het dagelijksche, reëele leven moet wezen en dat zelfs het vallen van een veiligheidsspeld, niet mag ontbreken.

In ieder geval sturen zij spelen in, waarvoor krachten noodig zijn, die op hun hoofden voor de microfoon gaan staan, op de eenen voet een kerkklok beierende, op den anderen voet een kanon afschietende, in den mond een conducteursfluit houdende en tusschen de armen een bak met kiezelsteenen klemmende. Ook dergelijke spelen gaan terug, in negen van de tien gevallen, omdat onder het teveel aan geluid de auteurs hun gebrek aan fantasie en aan talent voor het schrijven van een dialoog gesmoord hebben. Tenslotte zijn er nog de literatoren-van-rang, waaraan de hoorspelafdeeling zoo graag opdrachten geeft. Doch nog altijd staan vele serieuze schrijvers wantrouwend tegenover radio. In het beste geval bekennen zij dan – een overigens hoopgevende bekentenis – dat zij nog nooit over de mogelijkheden van het medium hebben nagedacht en dat zij eerst ter plaatse, bij de repetities en bij de opnamen op Millerband of wasplaten, een studie willen maken. Zelden geven zij dan gehoor aan hartelijke, tegemoetkomende uitnoodigingen, welke zeker door Herrijzend Nederland naar verschillende bekende dichters werden verzonden. Hier ligt weer een van de principieele problemen, waarmede de radio klaar zal moeten komen.

Gelukkig, iets is er altijd wel bij. Herrijzend Nederland kon direct al beschikken over een jonge schrijfster van onmiskenbare, dramatische kwaliteiten die, gewapend met veel ideeën en grooten werklust, het hoorspel tot terrein van specialisatie heeft gemaakt: Peggy van Kerckhoven, dochter van de knappe microfoonspelers Constant van Kerckhoven en zijn vrouw Mien van Kerckhoven-Kling. Peggy werd als dramaturge en literair adviseuse in vasten dienst aan den omroep verbonden. Verder schrijft regisseur de Vries – oud journalist – zelf spelen en bewerkt hij buitenlandsche op persoonlijke wijze. De hoorspelauteur Dr. P. H. Schröder kon voor medewerking gevonden worden. Een jonge Groninger, Menno de Muinck, als nieuws-omroeper verbonden aan den Regionalen Omroep Noord, droeg een uitstekend griezelspel bij, gebaseerd op een thriller van W.W.Jacobs. Voor bewerkingen van tooneelstukken en van korte verhalen waren doorgewinterde krachten uit het radio-bedrijf wel te vinden. Op 1 October 1945 begon de hoorspelafdeeling met haar voorbereidingen en in dezelfde maand reeds kon zij met haar uitzendingen beginnen. Het hoorspel kreeg een vaste plaats in het radio-programma. Een lange reeks van spelen is tot heden opgevoerd. Te lang om den lezer mee te vervelen. Hij is Koning Luisteraar en wat gaat hem dat alles aan ? Wat gaat hem het aan, dat ieder hoorspel nauwkeurig overleg eischt over de plaats en het tijdstip der tekstlezingen door den regisseur, der ‘droge’ repetities, der microfoonrepetities. Hij wil iets hooren en hij krijgt iets te hooren. Wij meenen zelfs, dat de radio van na de oorlog hem ook op hoorspelgebied van tijd tot tijd iets heeft gegeven, waaruit de wil tot vernieuwing van stof en vormen sprak en waarvan hij, zittende in zijn huiskamer heeft kunnen begrijpen, dat het waarachtige kunstenaars zijn, die er zich in vastbijten, die het werk niet meer los kunnen laten!

 
Gekluisterd om de radio, luisterend naar een hoorspel
 

Inderdaad, het hoorspel heeft niet ontbroken in dien eersten tijd en na 19 Januari 1946, na het afscheid van Herrijzend Nederland, heeft het repertoire, thans grootendeels voorbereid door de omroep-vereenigingen en uitgevoerd door de Stichting Radio Nederland in den Overgangstijd, zich gestaag verder ontwikkeld. Er is altijd veel critiek op het hoorspelrepertoire, door buitenstaanders. Er zijn zooveel smaken en zooveel zinnen. De radio is ook niet een instrument, dat alleen voor het verhevene en nuttige is geschapen; het pretentielooze-ontspannende mag niet vergeten worden. Tenslotte staat het vast, dat het in de eerste plaats de mensen van de hoorspelafdeeling zelf zijn die weten, hoeveel er nog moet gebeuren en verbeterd. Critiek van de zijde van het publiek en van de pers moet daarbij onmisbaar geacht worden. Maar dan ook volledige en ernstige critiek. Vooral het radio-bedrijf heeft al veel critici ontmoet, die in alle talen zwijgen als zij tevreden zijn over een uitzending…! Dat verschijnsel bestond al voor den oorlog.

Ten slotte is het goed te vermelden dat het hoorspel, als middel tot voorlichting over zaken van nationaal belang, meer en meer aan erkenning gaat winnen. Teekenend hiervoor was de opdracht, welke de hoorspelafdeeling in overeenstemming met de regering aan Jef Last kon geven. Een opdracht tot het schrijven van een groot spel, gewijd aan het geteisterde en gelukkig zoo goed als herwonnen – maar nog niet herstelde – Walcheren.

 
 
Geëvacueerd vanwege het bombardement van 1944 op de dijken
 
‘Walcheren Herwonnen’ werd door Jef Last, in samenwerking met Abraham van der Vies voltooid en in begin Februari 1946 in de V.A.R.A.-studio, voor uitzending door Radio Nederland in de Overgangstijd, op Millerband vastgelegd.
 
Philips-Miller opnameapparatuur
 

Naschrift door Aad van der Meulen

In 1965 kreeg ik een tape-recorder in mijn bezit en vanaf die tijd heb ik radio-programma’s opgenomen. Hierdoor is een schitterend geluidsarchief ontstaan, een schatkamer vol muziek, kleinkunst, poëzie, meer dan 1500 hoorspelen en documentaires, etc. Ik ben één van de gelukkigen die - onafhankelijk van de Hilversumse omroepen - op elk mij uitkomend tijdstip kan luisteren naar een hoorspel of muziek van mijn keuze.

Het blijkt dat veel mensen nog van het hoorspel houden, die prachtige vorm van Radio-drama, dat ons is ontnomen. Het is nationaal erfgoed en reeds betaald door de belastingbetaler. We weten welke argumenten de Hilversumse omroepen aanvoeren: ‘Te duur en er zijn te weinig luisteraars’. Maar laat het een minderheid zijn dat van het hoorspel houdt. Het is echter wèl een groep luisteraars die ook recht heeft op programma’s waar zij plezier aan zouden kunnen beleven zoals aan de duizenden hoorspelen die in het archief van het Instituut voor Beeld en Geluid (het voormalige NAA) ‘veilig’ liggen opgeslagen en nu op cd voor veel geld te koop zijn.

 

         

 

Puur genot, het luisteren naar een hoorspel

 

Bron: Radio Nederland. Een band tussen den luisteraar en zijn Nederlandschen omroep.

Samenstelling: J. J. F. Stokvis; chef nieuwsdienst Radio-Nederland en L. J. van Looi; hoofdredacteur nieuwsdienst Radio-Nederland

Artikel: De Menschen van het Hoorspel door P. Bijshuizen

Uitgegeven door Elsevier 1946

Omdat het een historisch verhaal is, is de oude spelling is gehandhaafd

Rotterdam toen en nu