Rotterdamsche Telegraaf Maatschappij.....gelezen door Aad van der Meulen...

Aad van der Meulen Index

De Rotterdamsche Telegraaf Maatschappij 1854 – 1884

Optisch telegraaftoestel van Lipkens op de Wittepoort 1835

Nadat de snelheid van het berichtenvervoer eeuwen lang haar beperking had gevonden in de snelheid van het paard, bij gebruik van de kortste verbindingswegen en een zo gunstig mogelijke ligging van de wisselplaatsen, leidde de invoering van de spoorwegen en de electrische telegraaf in het tweede kwart van de 19de eeuw in korte tijd tot ongekende mogelijkheden. Wel had men ook met de optische telegraaf in de eerste helft van de 19e eeuw zeer grote snelheden weten te bereiken, doch deze was slechts voor militaire doeleinden gebruikt geweest, al had men speciaal buiten regeringskringen reeds vroeg het belang ingezien, dat dit verkeersmiddel voor handel en industrie zou kunnen hebben. Tweemaal was ook Rotterdam in zulk een verbinding opgenomen geweest. Eerst in 1809 en 1810 in de lijn van Amsterdam over Aalsmeer, Langeraar, Waddinxveen, Nieuwerkerk, Rotterdam, Klaaswaal, Willemstad, Standdaarbuiten, Steenbergen en Bergen op Zoom naar Ossendrecht, aangelegd in verband met de verdediging van Amsterdam tegen een mogelijke aanval van Franse zijde welke lijn bij de inlijving werd opgeheven. Voor de tweede maal in de jaren 1831-1839 tijdens de Belgische opstand, nu volgens een ander systeem, waarbij Rotterdam een schakel vormde in de verbinding tussen ’s-Gravenhage, Delft, Overschie, Rotterdam, Westbarendrecht, Puttershoek, Willemsdorp, Terheijden, Breda, Dongen, Loon op Zand, Helvoirt en ’s-Hertogenbosch, met sinds 1833 een zijtak over Bergen op Zoom en Bath naar Vlissingen.
Zoals reeds gezegd waren deze optische telegraafverbindingen echter slechts voor militair gebruik bestemd; was de staat van oorlog of beleg geëindigd, dan werden zij buiten dienst gesteld. Bij de invoering van de electrische telegrafie kon de regering zich aanvankelijk moeilijk losmaken van het ‘politieke’ beginsel, dat aan het gebruik van de optische telegraaf ten grondslag had gelegen en dit is, zoals hierna zal blijken, een van de redenen geweest waarom zij zo lang geaarzeld heeft toestemming te verlenen om de electrische telegraaf, eenmaal voor dienstgebruik bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij ingevoerd, ook voor publiek gebruik open te stellen. In 1839, vier dagen voordat een einde kwam aan de laatste optische telegrafische gemeenschap in ons land, werd na jarenlange voorbereiding, heftige debatten en veel geschrijf, de eerste spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem in gebruik genomen, op 6 december 1843 verlengd tot ’s-Gravenhage, waarmee de langzame terugdringing van het paard uit zijn eeuwenoude functie in het openbare verkeer begon. De nadruk valt hier op langzaam. Was Nederland immers gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw ver bij Engeland ten achter gebleven wat betreft voertuigenbouw, ook met de toepassing van stoom, zowel op het water- als op wegverkeer is Engeland, waar in 1825 de eerste spoorweg was geopend, ons ver vooruit geweest.

Stationsgebouw H.IJ.S.M. met telegraafkantoor 1847

Waren eeuwen verlopen voordat de snelheid van het verkeer door de toepassing van stoom een essentiële wijziging onderging, zo werd deze wat het berichtenverkeer betreft, reeds na enige jaren weer aanzienlijk overtroffen door uitvinding en toepassing van de electromagnetische telegraaf.
Het is juist de H.IJ.S.M. geweest, die samen met Eduard Wenckebach baanbrekend werk heeft verricht voor het tot stand komen van de openbare telegrafie in Nederland. De belangstelling van laatstgenoemde voor de electrische telegrafie was vooral opgewekt, toen hij tijdens zijn studie aan het Polytechnicum in Wenen enige proefnemingen van Duitse geleerden met het nieuwe verkeersmiddel van dichtbij had kunnen meemaken.
Toen hij naar Nederland terugkeerde, vestigde hij zich te Amsterdam als fabrikant van wis- en natuurkundige apparaten en begon naast mannen als Dr. Bleekrode, Dr. Stratingh en professor Vorsselman de Heer, onmiddellijk de nieuwe vinding onder de aandacht van het publiek te brengen. Reeds in 1839 had Vorsselman de Heer aan de minister van Binnenlandse Zaken een voorstel met ontwerp-plan aangeboden tot aanleg van een electrische telegraaf langs de ontworpen spoorweg Amsterdam-Arnhem.
Bedoeling van de hoogleraar was, dat de aanleg van rijkswege zou geschieden; voor het geval de regering deze aan bijzondere ondernemingen zou willen overlaten verzocht hij hem het uitsluitend recht tot het inrichten van electrische telegrafen in het koninkrijk te verlenen. Van een vooruitziende blik getuigt het advies van de minister aan de koning:
“Al het hiervoren aangevoerde toont, naar het inzien van den ondergeteekenden genoegzaam aan, dat tegenwoordig levendig belang wordt gesteld in de telegraphen en in het groot voordeel dat daar uit voor het algemeen welligt zoude kunnen geboren worden.
Wanneer nu de thans nog bestaande onvolmaaktheden verbeterd zullen zijn en men door proeven al anderszins zal hebben bewezen, dat de correspondentie door telegraphen (op welke wijze dan ook ingerigt) voor het publiek moogelijk zoude zijn, dan zal welligt het verlangen daarnaar spoedig zoo groot worden, dat men moeite zal hebben, om hetzelve te beteugelen”.

Mij. Tot nut der Zeevaart Boompjes met kantoor R’damsche Telegraaf Mij.
De Beurs zijde West Nieuwland. Op de 1e verd. Rijkstelegraafkantoor 1858-1875

Bron: Samenvatting uit het gelijknamige boekwerk Dr. E. A. B. J. Ten Brink

Rotterdam toen en nu